donderdag 22 mei 2008

Omdat één lijntje ook wel eens voldoende mag zijn.

dinsdag 6 mei 2008

Stadsindiaan

Met enige omzichtigheid betrad ik de werf. Ik had geen uren betonnen jungle overleefd om in het zicht van mijn eindmeet te worden tegengehouden door een miezerige werfwachter. Gelukkig was de miserabele motregen nog zo sympathiek om, naast mij, ook anderen het zicht zeer te belemmeren - dus daar hoef ik ook al verder niet meer over te emmeren.


Ik wiste me de druipende frou uit de ogen. Een knipbeurt zou geen kwaad kunnen. Elke beet van de schaar zou me weer een jaar verjongen en misschien zou het metaal die bittere schuld ook hap bij hap wegnemen...


Mijn zware grijze stapschoenen zakten diep weg in het smerig bruine slijk. Elke stap die ik zette ging vergezeld van een gorgelend gezuig en elke keer leek het moddermonster vastbesloten mij de voeten van mijn enkels te rukken. Eén keer struikelde ik en kon me maar ternauwernood recht houden aan een nabije betonmolen. Althans, zo leek het in eerste instantie, want helaas was het werkmansgerief nog labieler dan mijn psyche. Mijn plotse invloed verloste hem van de angst om te vallen, want voor hij de tijd kreeg om zelfs maar een beetje te kwikkelen zeeg hij als een getroffen soldaat ter aarde. Wat eerst een geluk leek te zijn, bleek een doem te worden: ik petste neer in de modder, waarbij ik maar net kon vermijden halvelings onder het cementrollend gevaarte terecht te komen. De golf smurrie die ontstond bij het neergaan ervan kon ik echter niet meer ontwijken. Een reeks krachttermen mompelend in een voor ieder ander mens verder onvertaalbaar koeterwaals, krabbelde ik weer overeind, waarbij ik dan nog een keer wegschoof en plat op mijn buik de modder in dook. Uiteindelijk slaagde ik er toch in mezelf weer op poten te zetten, compleet met ongewilde paracommandocamouflage. Het gedruis van de eeuwige regen en de voorbijrazende stadsmonsters maakte het me volkomen onmogelijk om uit te maken of er iemand aan kwam om me op vijandelijk terrein te betrappen. De onzekerheid knabbelde gemeen aan mijn reeds uiterst wankele zelfvertrouwen. van langsom nerveuzer schuifelde ik verder naar de deur van het ter sloop veroordeelde station. Op de drempel gleden mijn voeten opnieuw onder me vandaan en moest ik me vastgrijpen aan de deur. Met dat geluk van mij had er natuurlijk ooit glas in die deur gezeten en was de brutale kraker die het er had uitgeslagen allesbehalve zorgvuldig geweest. Mijn reddende rechterhand werd ruw gepenetreerd door verscheidene vlijmscherpe scherven, maar ik stond nog wel overeind, zij het met tranen in de ogen. De pijn verbijtend greep ik de klink, duwde hem moeizaam naar beneden, waarbij het roestige slot galmend knarste, en beukte ten langen leste de koppige deur maar gewoon open.


Het gezoem op de achtergrond was plotseling weg. De stilte was volkomen overdonderend, een verademing zowel als een beklemming. Voorzichtig zette ik een paar passen voorwaarts. Ik stond in een verlaten trappenhal, voor mij uit was de officiële, maar zeer terdege afgesloten ingang van het oude goederenstation. De trap slingerde zich aan mijn linkerzijde omhoog naar het eerste verdiep. Twee stappen verder zou zich links en rechts van mij een gang uitstrekken, maar ik was ervan overtuigd dat mijn speurtocht zich over perileuzere gronden zou wagen dan stevige gangen op het gelijkvloers, dus keerde ik mezelve gezwind naar de trap. Het was een architectonisch gedrocht van het weerzinwekkendste soort, een kruising tussen art nouveau, constructivisme en neogothische barok. Dat het technisch onmogelijk is om die stijlen te mengen was voor de duidelijk uniek begiftigde architect klaarblijkelijk niet het minste bezwaar geweest. Maar goed, op dit moment was er weinig anders dat me bezig hield dan de vraag of dit bouwsel nog stevig was. Er niet geheel gerust in besteeg ik voetje voor voetje de gevaarlijk glibberige, doch vooralsnog betrouwbaar stevige trap. Een aantal treden vertoonde wel barsten en voor zover het lukte meed ik de zwaarste slachtoffers van de gegane tijd zorgvuldig. Mijn voorzichtigheid werd beloond; ik kwam op één hoog zonder ongelukken.

Nu aarzelde ik, de blik gericht naar de verder klimmende trap. Zou ik deze verdieping wel doorzoeken? Het stof leek al lange eeuwen onaangeroerd te liggen, al kon het evengoed vijf minuten voor mijn aankomst neergeregend zijn uit het met barsten en uitstulpingen bezaaide plafond. Ik besloot de gok te wagen onder het argument dat alleen clichématige evil masterminds met een Hollywoodcomplex hun prooi vasthouden op de hoogste verdieping.
Het alom aanwezig stof vergreep zich tijdens mijn zoektocht gretig aan mijn longen; ik werd gedurig geplaagd door een horride kriebel ergens in mijn luchtpijp, zodat ik voortdurend de neiging had tot hoesten, maar niet verder kwam dan een erbarmelijk kuchje. Ik durfde niet te trachten mijn keel luidruchtig te schrapen: in het twijfelachtige geval dat het beoogde doel ermee bereikt zou worden, zou ook iedereen binnen de straal van een mijl mij exact kunnen lokaliseren. Bovendien zouden nieuwe stofregens ongetwijfeld mijn deel worden. Ik verbeet de irritatie dus maar en vervolgde mijn speurtocht.

In mijn contemplatie over de kwestie van het al dan niet schrapen van mijn keel was ik echter enigszins onoplettend geworden en met de Hamletse overwegingen nauwelijks uit de aandacht gebannen ging ik hard neer over twee groezelige benen die iemand achteloos in het timmermansgat had achtergelaten. Ik kwam met een smak op mijn lippen neer. Het deed pijn.
Ergens schuin boven me begon de vermoedelijke eigenaar van de schuldige benen te stamelen: "U bent gekomen." Ietwat verrast over deze correcte, doch tamelijk overbodige observatie keerde ik me om. Als ik de benen al als groezelig beschreef, kon ik de rest van dit saterlichaam slechts omschrijven als ronduit schmutzig. Het gezicht dat me in adorerende verwondering aanstaarde was doorgroefd van vele jaren medemenselijke minachting. Er hingen grote klodders smerig snot in een ruige baard-snor combinatie die onder humaner omstandigheden allicht ros zou zijn geweest. Ik krabbelde overeind. "Ja, daar valt weinig tegenin te brengen, maar..." Het randexemplaar van het menselijke ras liet me niet de tijd hem om uitleg te verzoeken over zijn bizarre welkomstgroet. "Zoveel jaren als Johannes in de woestijn, maar Uwe Heiligheid is eindelijk gekomen. U kuste de grond. Betekent dit eindelijk absolutie na zovele jaren penitentie?" Met een lichte schok besefte ik wie de nogal verwarde man meende voor zich te hebben. Misschien was het wreed, maar ik besloot de situatie ten volle uit te buiten. "Wees gegroet, gij gezegende onder de mensen. gij zijt uitverkoren tot een luisterrijke rol in de redding der mensheid en een hemelse beloning zal u voorzeker ten deel vallen: een aflaat voor de tijd geweest en komende. Vertel me slechts dit, mijn kind, wat is er geworden van de dwaalleraar die in deze omstreken resideerde?" De schurftige stumper trilde van opwinding. "O, Heilige Vader, hij die kastijding verdient, bevindt zich in de kelder."
Ik kon me er nog net van weerhouden een lelijk woord te gebruiken. Ik moest mijn zeepbellen pausenrol toch in stand houden. "Geheiligd zijt gij, mijn zoo. Ware het dat gij nu stierf, gij voer zonder omwegen hemelwaarts." Ondanks mezelf kreeg ik zowaar papaal plezier in mijn theaterstukje. Ik maakte nog wat onduidelijke gebaren naar de man en keerde op mijn schreden terug. Achter mij krauwelde het zielige hoopje mens overeind, waarna het naar de tweede verdieping stormde om de dui.. God... In ieder geval, om iemand weet vast wel wat te doen.
Wat zijn zo plots haastbehoevende missie was ontdekte ik toen ik bijna weer beneden was: met een misselijkmakende smak plofte het groteske lijf op de treden naast mij. Gechoqueerd staarde ik neer op het stapeltje gebroken botten. Tot mijn verdediging wil ik aanvoeren dat, zonder dat ik claim specialist te zijn in suïcidale postmortem gezichtsuitdrukkingen, de dode Odysseus op de traptreden de meest gelukzalige doodsgrijns had die ik ooit had aanschouwd.

Gesterkt door de wetenschap dat ik werelds lijden ten einde had gebract vervolgde ik mijn weg naar de kelder, recht onder de trap. Een bedompte lucht sloeg me tegemoet uit het donkere keldergat. Wankel betrad ik de vochtige treden van de onderwereldtrap, waarbij ik vallen enkel vermeed doordat mijn vingertoppen zich vastklemden in de barsten van de stationsfundering. Het vocht dat langs de wanden naar beneden droop, verkilde mijn vingers tot in mijn haarwortels. De veel te lage, zuurstofarme ruimte deed me hulpeloos naar adem happen. Kokhalzend stommelde ik verder door de donkere, kille hellegangen, tot ik de bron der wijsheid dan eindelijk bereikte. Een iets minder donkere kamer, wellicht ook iets ruimer, lag binnen het bereik van enkele passen. Te oordelen aan het beweeglijke licht was er een kaars aangestoken die het welhaast even moeilijk had met ademen als ik. Ik schuifelde erheen. In het schemerduister ontwaardde ik een krakkemikkige schommelstoel die furieus begon te knarsen in antwoord op de holle weerklank die mijn geslef teweegbracht in de muffe ruimte. Op de stoel zat een haarbal die met enige moeite kon worden ondergebracht in de categorie mens. De doordringende stank die me toesloeg vanaf deze man die het einddoel van mijn reis behelsde benam me opnieuw geheel de adem. Als een novice viel ik neer aan de voeten van deze missing link, daarbij het feit negerend dat ik met mijn knieën in een plas schimmelend water terechtkwam.

Met een van ontzag trillende stem richtte ik me tot hem: "O, verheven wijsgeer, gij bewaarder der diepste kennis, zie mij aan met erbarmen en sta mij toch toe om uw visie te kennen in een prangende kwestie die mij vanbinnen verteert." Het gemompel zijnswege interpreteerde ik maar gauw als een toestemming, dus vervolgde ik: "O wijsgeer, gisteren vroeg ik me af waar conditioner voor dient. Ben ik nu metroseksueel?"

Met alle gratie die een gekneveld man kan bezitten antwoordde hij mij: "Mök m ls, dbil!"

maandag 5 mei 2008

Noir Désir

Soms wil je alleen maar vallen. Eindelijk alles loslaten wat je veilig vasthoudt aan deze wereld en dan vallen in de lucht. Als je valt kan je alleen nog op regen bogen, de zon blijft daar maar wat staan. Regen valt met je, streelt je en draagt je zachtjes. Alles wordt wat waterig wazig terwijl je sneller en sneller valt. Voorzichtig sla je één vleugel uit en dan een andere. Je flappert even als een hulpeloos arendsjong tot je de juist slag vindt, maar dan, dan ben je koning. Je stijgt langzaam op, majestueus de humide omgeving in ogenschouw nemend. Je klimt boven de storm en schudt lachend je vuist naar de zon. Nee, jouw vleugels zijn niet van was, ze zijn gemaakt van verhalen die kinderen dromen. Onverwoestbaar. De zon grinnikt en steekt zijn duim op, erkent je als gelijke. Je grijnst euforisch, warme flarden wind dragen je triomfantelijke lach tot aan de einden der wereld.
Met een smak land je op het modderige, gebarsten beton. Je bent doorweekt, ijskoude regen ranselt je wreed af. De gierende wind draagt de holle lach van de zon tot in je suizende oren. Je sleept je dan maar verder.
Soms wil je alleen maar.