donderdag 28 december 2017

Eleison

Liefst sloot ik je in mijn armen, fluisterde je toe dat het me spijt. Al moest ik dan uitleggen wat en zeggen “alles”, wat klinkklare kletskoek is, want er zijn vast dingen die niet spijtig zijn en nog veel meer dingen waarover ik geen spijt dien te betuigen, zelfs niet aan jou. Nee, dit is niet genoeg.
Liefst: ik ontmoet je in de plenzende regen.
Soit, liefst hoefde het allemaal niet. Zag ik je eenvoudig mooier worden en zelfverzekerd onafhankelijk de wereld tegemoet treden. Gegeven is nu echter wat gegeven is. Laten we daar vertrekken in onze liefhebberij.
Liefst: je staat te rillen in zo een ellendige lentedrasj: dikke druppels vermengd met half gesmolten vlokken en ratelende rothagel. Gegeven.
Liefst stond je me toe mijn jas om je heen te wikkelen en je schouders te omvatten, legde je je voorhoofd tegen mijn hals te rusten en fluisterde ik je toe dat het me spijt, dat ik je nooit die regen in wilde laten lopen. Liefst had ik die kou voorkomen, ook al is dat een tamelijk dwaze gedachte van mij, aangezien ik niet daar was waar je vertrok, noch heb ik veel over de kou te zeggen.
Kom, kom met me mee. Dan hul ik je in mijn vest. We vergeten de blikken, de mensen, de stad en de snijdende opmerkingen. Dan zeg ik dat wie zonder zonde is het eerste woord maar werpt. Dan huil ik je in mijn veste. Liefst droogde ik je tranen.

Treur ik dan, dat je Nazarener voor me spelen wil? Val ik, dat je Cyrener voor me zijn wil? Heb ik nood aan je redding? Jij bent blind geweest en ver verwijderd, stom gebleven toen je je stem verheffen kon, jij hebt je gordijnen gesloten toen je achtertuin te verontrustend voor je werd. Nee, het is jouw spijt, jouw strijd niet, jij hebt je onttrokken. Dus bedankt voor je jas, maar nee bedankt voor je armen en je hals, ik banjer zelf wel verder door de drup, dan kan jij hier stom geslagen blijven staren – hoeft er niet veel te veranderen.

Ze zet zich af, keert zich om, deint majesteitelijk de niet aflatende regen in. Wie behoeft wie eigenlijk? Messias, schuldenaar, wie gilt er in mijn hoofd? “Ga achter haar aan, ga achter haar aan, klaar nu met bankzitter zijn.” Ik stap uit het bushokje, de regen verdubbelt haar inspanningen, ik ben ter plekke doorweekt. Daar kan mijn jas waarschijnlijk nauwelijks tegenop, ze heeft er sowieso geen knijt aan. Het donker heeft haar al opgeslokt, waarheen, waarheen? Op goed geluk, die kant, die kant, veel anders kan ze niet gedaan hebben? Een auto snelt langs, spat nog meer water over me heen, het maakt geen verschil meer, mijn bril is een zwembadbodem. Ik heb niets om op af te gaan: het geraas van de regen overstemt haar mogelijke voetengetik, het neerplenzende duister ontneemt me zicht en tast. Stuurloos stort ik me sneller achter haar aan.

Denk je dat ik ze niet bespeurde, je tastende blikken, je gekrioel van gedachte, ongestelde vragen? Je gevors kleeft me aan en ik blief het niet. Liefst? Liefst, kloothommel? Ik sta warm binnen terwijl jij er voor mijn deur in slaagt de bus niet te zien. Liefst? Hier zit ik dan, over je geknield. Het is jouw bloed dat het water mee spoelt. Zal de regen aanzwellen tot storm en orkaan, nu het jouw regen is? Citeer je Christus zo graag omdat je zelf zo schuldig bent? Ik neem je bloedoffer graag aan. Ik zal je hand vasthouden tot je helemaal uit me weggesijpeld bent.

Ik heb nooit onschuld voorgewend. Ik wist alleen niet dat ik zo schuldig zijn zou.


Beeld: sneeuwtapijt. Een dikke laag zuivere sneeuw op daken, op auto’s, op bomen, op een bushokje. Een sneeuwheuvel, nee, twee mensen onder de sneeuwdeken. Zij zit, knieën op de grond, voeten wijzen naar buiten, ze houdt zijn hand vast, hij ligt, zijn hoofd op haar schoot, wil maar niet doodbloeden. Zij ook niet, al loopt het haar uit de ogen. Op elke wang hebben de rode tranen drie sporen gekozen. Hij houdt haar hand vast, het leven wil maar niet van haar wijken. Een vroege wandelaar komt langs, blijft verwonderd staan kijken, bevriest mee het beeld in. Een vader met twee kinderen, twee joggende vriendinnen, een postbode op een fiets. De moedige menigte van aanschouwers dikt aan. Niemand zet een voet dichter, dit is heilige grond. Zelfs twee honden voegen zich naar de eerbiedige stilte. Niemand waagt een sneeuwbal.


Ik hoef je spijt niet. Weet je nog dat je naar me toe kwam, het kan niet later dan halfzes ’s morgens zijn geweest? We hadden gerepeteerd voor het theater, de avond voordien. We zijn nog wat gaan drinken en toen gingen we ieder zijns weegs, naar huis. Ik ging althans naar huis, ik heb pas veel later begrepen dat jij dat niet deed. Daar stond je, die morgen, en je zei dat het niet eerlijk was dat ik jouw minnares moest spelen. Niet eerlijk voor mij, omdat mensen mij de schuld gaven en het mijn schuld niet was. En toen liep je weg en je liet me helemaal verward achter aan mijn voordeur. Waarom kwam je me dat zeggen? Een week na de première werd ik neergestoken door een fan van je vrouw. Zo een type dat de werkelijkheid moeilijk loskoppelt van de fictie. Hef je vinger niet om me te vertellen dat ik de zegswijze verkeerd heb, ik bedoel exact dat. Onze fictie is veel groter dan de werkelijkheid. Zeker onze fictie, met alles wat we over elkaar verzonnen hebben, alle gesprekken die we nooit hebben gevoerd, alle ballades die we nooit voor elkaar hebben gezongen, alle brieven die we elkaar nooit hebben opgestuurd of zelfs maar geschreven. Elke dans waar we de muziek van hebben gehoord, maar zijn blijven zitten. Maar daar gaat het nu zelfs niet om. Ik lag in het ziekenhuis en pas toen heb ik beseft waar jij die ochtend vandaan kwam. Ik ben in iemand anders plaats neergestoken, de jouwe, de zijne, dat weet ik niet zeker. Bij de verdeling van je hart mocht ik misschien een stukje, bij de verdeling van je lust kwam ik een stukje tekort. Een centimeter of vijftien.
De regisseur is me wel elk vrij moment komen opzoeken. Jij? Hoe vaak was je er? Ik had je zelden zo ver weg gevoeld. Wist je dat hij kwam? Heb je hem er ooit op aangesproken, hem ooit gevraagd of hij wist wat hij deed? Hij was er, met de hele reutemeteut: bloemen, fruitmanden, pralines. Een jas ook een keer, toen ik bijna mocht vertrekken. Het zou kil gaan waaien de dag dat ik uit het ziekenhuis ontslagen werd. Kil was het, zelfs met de jas, die misschien meer schoonheid dan bescherming toevoegde, en ik vond het nog een compliment ook. Toen spatte zijn relatie uit elkaar. Zijn relatie, mag ik opmerken, niet zijn huwelijk, ze waren hoop en al twee jaar bij elkaar, maar ik was de feeks. De feeks, de inbreker, de scharlaken a. Wie was jij? Waar was jij? Veilig in je huwelijk? Verstandig schattend naar alle partijen aan het luisteren – je weet wel, behalve naar mij? Zijn relatie, mag ik opmerken, met een van de belangrijkste geldschieters van het theater. Zij neemt echte beslissingen, geen artistieke. Voor mij is het wel klaar in het wereldje. Voor jou niet, voor hem niet, jullie wurmen jullie er wel weer door. Heb je wat gezegd? Heb je wel eens iemand tegengesproken? Heb je een vinger opgeheven om me te helpen? Je was bang van honderd dingen, misschien ging je vriendschap met de regisseur eraan, of je huwelijk, of je geheime relatie. Of misschien dacht je zelfs aan het gezelschap, dat het uiteen zou spatten, net op de rand van de doorbraak. Aan mij heb je pas gedacht toen ik het brandmerk lang en breed droeg, toen de pijn ervan bijna weer begon weg te trekken, het eigenlijk meer jeuk was geworden. Toen je zeker was dat jouw huid gaaf zou blijven. Liefst? Was me maar tegemoet gekomen toen de koude lente nog op me plensde. Had meer gedaan dan wensen. Nu is het winter.



De rode traansporen dampen, schroeien haar de kleren van het lijf. De lijnen lopen door over haar borsten, haar buik, haar dijen. Alleen zijn jas blijft over, losjes open op haar schouders, de kap over haar wilde haren. Hun bloed vermengt zich op en naast zijn lichaam, het loopt over zijn ribben – je kan ze tellen. Hij richt zich op, ze ondersteunt hem, hij gaat voor haar zitten, onttrekt haar naaktheid aan het zicht, stelt de zijne tentoon.
Niemand zet een stap dichter, dit is heilige grond.
Ze omhelst hem, staat op, helpt hem overeind, gaat fier naast hem staan. Zijn jas dwarrelt naar de grond.
Een enkeling weifelt.
Ze leggen een arm om elkaars rug. Minutenlang blijft de stilstand. Ze keren zich om en strompelen, wandelen, schrijden majesteitelijk weg.
Niemand waagt een sneeuwbal.

dinsdag 26 december 2017

Haëzel

En dus is dit voor het laatst
Je wordt een stip op de einder
Een schim op de kim
De tranen kietelen me het bestofte gelaat
Verder - het ligt verder
Je verdwijnt, je blijft

Als ik, had ik, kon ik gewoon
Ik zou, gezwind, zonder vragen
De weg met je meegaan
Net daarom moet ik je laten
Verder - het ligt verder
Je blijft, je verdwijnt

Nog voel ik je armen
Je hoofd op mijn schouder
Je vertrouwelijkheid
Het zeer dat we samen plengden
Verder - het ligt verder
Je verdwijnt, je blijft

Wie moet er nu met me dragen
Mijn gevoelens, mijn vragen
Je standvastigheid
Ons plezier, onze vreugde, elkaar
Verder - het ligt verder
Je blijft, je verblijft
Nader
“’t Is beter dat ik”, zei ze. “’t Is beter”, ik beaamde en ik ging en de lift ging. En het gierde koud om mijn oren en ik trok mijn kraag op en keek omhoog over mijn schouder en het gordijn voor haar raam rimpelde, ritselde en de stof van haar kleed echode op mijn vingers.
“Heeft u misschien”, zei hij. “Misschien heb ik”, ik antwoordde en zeeg naast de bedelaar neer en ik reikte in mijn binnenzak en gaf hem mijn flacon en we deelden alsof morgen niet komen moest.
“Je bent beter zonder”, zei ze. “Zonder beter”, kon ze anders dan beamen? Maar ik zat onder haar raam jenever te delen, smart aan te horen en ik zei: “Ik moet maar eens” en ik zei: “Hou maar, ’t is voor jou, ’t is beter dat ik” en ik stond op en ging en toevallig ging ze net ook en weifelde ik haar vijftig passen achterna. “Wat doe ik?” dacht ik en ik rukte me uit haar spoor, de metro in en de roltrap bracht me naar beneden. Ik blikte naar de overkant van het spoor en de roltrap bracht haar naar beneden en we stonden.
De metro gierde in mijn oren en spuwde gewemel om me heen, ik stond bevroren en de metro ging en ook de drukte. En nog een stel, ze werd omsingeld, omstuwd en stond verstijfd en het water biggelde over mijn wangen, haar wangen en de metro ging en toen stond ik in het midden. En weer kwam er de metro en ledigde haar plaatsen en ze aarzelde met haar voet op de drempel, toen ging het signaal en de deuren stokten, ik legde mijn hand op het raam, koel, koud. Beslist, gezwind stapte ze op me toe, legde haar hand op mijn raam, slechts nog glas en toen ging weerom het signaal en de deur ging dicht en ook ging de metro en nog één keer haar lippen: “’t Is beter.”

dinsdag 28 januari 2014

Vasbyt

Het zal hem lukken. Zo zeker als een tautologie. Deze avond, kan hij naar waarheid zeggen, is hij onoverwinnelijk. Er zijn schimmen op de vloer en visioenen in zijn bier. Hij is best knap, vanuit deze hoek, in dit licht.

Ik vloek. Hem aandachtig in de spiegel laten kijken vestigt zijn aandacht op Averroës’ wanhopige zoektocht. Het verhaal eet zichzelf op. Muzen evoceren in bedenkelijke referenties verandert daar geen hor aan. Nee, het zal anders moeten.

Het zal hem lukken. Zo zeker als een tautologie. Andreas stapt zelfverzekerd uit de douche. Florian en Lalo kijken loom op uit de zetel. Een handdoek en een sigaret, daarmee zou hij al een eind komen nu. Ze komen beiden overeind. Florian werpt hem de handdoek toe die rond zijn eigen middel hangt, met de toevoeging dat Lalo de andere handdoeken heeft weggegeven. Die plaatst op zijn beurt Andreas een net aangestoken sigaret tussen de lippen en kleedt zich zonder verder commentaar uit om zich ook te gaan wassen. Florian en Andreas staren zijn gespierde billen na. Geboetseerd, gebeeldhouwd. Wordt het nu zo warm of verbeelden ze zich dat?

Ik keil de inhoud van mijn assenbak door het zolderraam. Wat is dat toch met seks en kunstenaars? En sinds wanneer noem ik mezelf een kunstenaar, een die bovendien mateloos verlangt naar transgressieve kunst?

Het zal me lukken. Zo zeker als een tautologie. Ik grabbel door de rommel onder mijn bed. Ergens moet toch nog ondergoed liggen. Er verschijnen genoeg zakdoeken, verfrommeld, dichtgeplakt, een vort, wee geurtje verspreidend. Die gooi ik op een vreugdevuurtje dat ik van mijn cursussen heb gemaakt. De rook begint al een plek te maken op het plafond. Ik kom ook een gebruikt maandverband tegen, maar ik kan me geen gelegenheid herinneren waarbij een vrouwspersoon zich heeft verwaardigd mijn hok te betreden. Is het geleden van de huurder voor mij dat er gekuist is onder dat bed? Drie maanden?

Ik keer terug van het toilet en staar moedeloos naar het blad. Zo wordt het alleen maar duidelijker dat er helemaal niets lukt. Ik ruik aan mijn tshirt. Het stinkt. Ik keil het buiten. De wind jaagt het achter de as van zo-even aan.

Het zal hem lukken. Zo zeker als een tautologie. Hij weet niet meer zo zeker wat hij moet bereiken en hij vindt het echt een flutgedachte. Natuurlijk is het punt van een tautologie dat die zeker is, maar fraai is anders.



Het zal haar lukken. Zo zeker als een tautologie. Of toch niet, want dat doet het helemaal niet, dus ze wordt gek en ze springt uit het raam, maar het raam is jammer genoeg dicht, dus springt ze ertegen en smakt onzacht op de houten vloer neer en ze bloedt uit haar hoofd. Als het allemaal niet zo een pijn zou doen, was het hilarisch. Zoals geweld tegen vrouwen nu eenmaal is.

Ze is niet eens een vrouw, ze is een personage. Ik mag toch kiezen wat ik doe met mijn personages. Daarzie, ik zal nog gebons op haar deur laten klinken en de deur geeft al gauw mee. Daar komen de verkrachters, op de ouverture van Willem Tell, Nazgûlkreten slakend. Maar wat zal er haar lukken? Ik zucht, rommel door de belt die ik van mijn bureau heb gemaakt. Gelukkig, er is nog tabak. Ik rol een sigaret en zet me neer op de zinloze papierberg die ik heb volgekrabbeld.

HET ZAL           LUKKEN.

Ik werp de alcoholstift het raam uit. Wie het zal lukken bekijk ik later wel weer. Mijn muur zal het me in ieder geval niet meer laten vergeten. Ik zink weer neer op het bureau. Ooit heb ik dingen geschreven waar ik tevreden over was. Die moeten ergens zijn. Ik trek willekeurig bladen uit de stapels. De meesten zijn maar halfvol, staan vol doorstreepte tekst of symbolen- en pijltjessystemen waarvan de betekenis niet meer te achterhalen valt. Af en toe begint er eentje netjes met een titel en volgt er zowaar ook een – ietwat – coherent verhaal. Ik lees aandachtig, alsof ik per ongeluk op iemand anders dagboek ben gestuit, iemand van wie ik hou, maar die ik nu pas leer kennen door deze schrijfsels. Ik gnuif afkeurend op de spelfouten, grijns op referenties die eigenlijk uitgaan van verkeerd begrepen lyrics en pijnig mijn hersenen op sommige van de ook voor mij obscuur geworden verwijzingen. Ik schrijf voor de zoveelste keer op een losse snipper dat ik mezelf zou moeten annoteren. Dan bonkt een brute rukwind mijn raam dicht. Ik schrik op, een beweging die razendsnelle tektoniek van mijn papieren continenten op gang brengt. In een reflex duikel ik achter een stapel aan. Ergens in de zweefvlucht besef ik mijn stommiteit. Ik kom met een pijnlijke klap op het hout terecht, een lawine in mijn spoor. Ik blijf hier maar even liggen.

                               ⌐> IE?
HET ZAL NIET LUKKEN.
  ∟> WAT?

Ik staar wazig naar de muur. De tekst danst voor mijn ogen. Eronder zit Myron, zijn gezicht in zijn handen. Er loopt bloed over zijn armen. Ik ga recht zitten. Mijn hoofd bonst, ik bots tegen een been aan. Ik kijk naar boven, langs het been, onder een rok. Erboven verschijnt het gezicht van Elis. Papier danst door de ruimte. Het raam is kapot. Dat verklaart alvast waarmee Myron zich nu weer heeft gesneden. Ik hijs mezelf overeind. Ook Myron is opgestaan. Zijn hoofd verbergt zijn kunstige negatie van mijn graffiti. Zijn gezicht vertoont twee afdrukken van handen, in bloed. Het ziet er uit als oorlogskleuren. Ik probeer voorzichtig het glas bij elkaar te vegen. In mijn handen doen de stukken verwoede pogingen om te fuseren tot een glazen ajuin. Elis snuift spottend. Ze neemt de scherven van mij over. In geen tijd ligt de ajuin in haar handpalm. Ze keert het ding een paar keer om, staart erdoor naar Myron en mij en werpt het dan krachtig door het raam. Myron wil zich erachteraan storten, maar we omklemmen zijn schouders voor hij zich goed en wel heeft kunnen afzetten.

Het zal hem lukken. Hij heeft er geen zicht op wat, maar dat hoeft nu niet. Als het maar lukt.

Elis komt uit de douche en vraagt om een handdoek. Ik overschouw mijn puinhoop. Ik ben bang dat ik al mijn handdoeken uit het raam heb gekieperd. Dan moet ze maar zo drogen. Ze werpt een zachte blik op Myron, die ligt te slapen op mijn matras. Daarna kijkt ze over mijn schouder naar de tekst. Ze knikt en gaat bij het raam staan. De wind wervelt bijna zichtbaar rond haar lichaam.

Hij wacht af.

We roken onder het drogen. We zijn uit het raam geklommen en zitten nu op het dak. Het is lang geleden dat ik heb rondgekeken. Ik ben vergeten hoe het gaat. Misschien zal ik wel een andere manier ontdekken. Ik vergeet mijn cigarillo af te tikken. De askegel landt onverhoeds in mijn schaamhaar. Ik doe een onhandig dansje om de as af te schudden. Schaapachtig wuif ik naar de roodharige tweeling op het dak tegenover ons. Hun asymmetrische kapsels vormen elkaars spiegelbeeld. Ze vermaken zich ermee haarspeldjes door mijn raam te gooien. Achter hen gaat de zon onder. Ik stel me voor dat hun silhouetten een tragedie of komedie voor mij spelen. Weten doe ik het niet, maar het maakt niet uit of ik het een of het ander kies. Het lukt wel.

woensdag 2 oktober 2013

Een boek kaarten / Een kan wijn

Hoe hypnotiserend je ook dansen kan, ondertussen drinken is geen sinecure. Een druppel witte wijn is ontsnapt terwijl ze aan haar glas nipte. Eén glinsterende druppel die nu haar vel bereist, dat zachtjes glimt van een laagje zweet. Van haar mondhoek gaat hij naar haar kin, terwijl ze behaaglijk haar hoofd achterover legt in de muziek. Van haar kaaklijn gaat hij over haar hals, waar je de slagader ritmisch kan zien trillen. Haar sleutelbeen drijft de wijndruppel naar het midden, terwijl hij even het licht vangt van een spot die door de woelende massa priemt. Daarna wijkt hij lichtjes af naar haar linkerborst, accentueert haar wiegende beweging en verdwijnt met een laatste weerkaatsing van de spot uit het zicht, net onder de witte bloem die daar op haar kleedje gespeld zit.

Valavond. Broeierig. Een lome saxofoon drapeert zich over het park. Ik zet de plateau met drinken voor de muzikanten neer. Drie mojito’s, een malibu en een tequila sunrise. Niet de meest geïnspireerde keuzes ooit, maar ze zijn een cubanismogroepje, geen fijnproeverscollectief. Hun soundcheck zit er net op. Voor ze een klein uurtje later beginnen te spelen zal ik hen nog drie keer hetzelfde brengen.
De gezinnen die overdag de dienst uitmaken in het park ruimen baan voor groepjes twintigers. Kortgerokt, in strakke hemdjes gestoken, met zwierige jurkjes; veel tijd om hun soldenaankopen te bewonderen krijg ik niet, want de bar wordt stevig bevraagd.

Donkerder is het wel geworden. Koeler niet echt. Ondanks hun intussen – al weer een vijftal cocktails verder – lichtelijk beschonken toestand blijven de artiesten lustig verder spelen. Hun tijd is eigenlijk al verstreken, maar geen mens maalt erom. Hoewel, hier en daar vertrekken toch al wat feestvierders, al dan niet in het gezelschap waarmee ze toekwamen. Voornamelijk niet, eigenlijk.
“Ruik jij ook de wijn zo sterk? Alsof er een fles is leeggegoten op de toog.”
Uit het niets staat ze voor me. In het licht van de bar zijn verschillende wijnsporen zichtbaar van haar mond naar haar borsten, die ze pront vooruit duwt. Het kan onmogelijk dat ze al die gemorste wijn niet bemerkt heeft. Ik doe mijn best mijn ogen in het gareel te houden, schraap mijn keel, lik mijn lippen.
“Nu je het zo zegt, ja. Niet dat ik het onaangenaam vind.”
Haar wenkbrauwen maken een klein sprongetje bij haar glimlach. Ze veegt een recalcitrante lok achter haar oor.
“Nog een glas, graag.”

Ze valt meteen op. Een helrood kleedje, nauw aansluitend, geen bandjes, blote voeten, donker haar tot net boven de schouders. Ze is alleen. Ik ben net terug onderweg naar de bar van mijn laatste servicerondje aan de muzikanten voor hun set begint. Ze zet duidelijk koers in mijn richting, maar ik heb geleerd dat als mensen midden op het veld een bestelling doen, ze het dan ook in hun bol krijgen dat je hen daar bedient. Dat ze maar net als iedereen naar de bar komt. Ze komt vlak achter me lopen, maar ik been zonder omzien door. Achter de toog zet ik mijn dienblad neer, keer me om en plof mijn ellebogen neer op de bar. Ik verwacht haar daar te zien en wil al vragen wat het mag zijn, maar de woorden blijven in mijn keel steken wanneer ze daar niet blijkt te staan. Ik kijk naast me. Daar staat ze rustig de witte hibiscusbloem te bestuderen die ik vanmiddag heb gered uit de handen van een paar kinderen, die ze blijkbaar hadden gerat bij een bloemenkraam verderop. Een verkoper die de achtervolging had ingezet liet me de bloem houden.
“Een glas witte wijn en deze, graag.”
Ik ben compleet overdonderd door het feit dat ze doodgemoedereerd mee achter de tap is komen staan.
“Wijn kan je krijgen, maar de bloem staat bij mijn weten niet op de kaart.”
Ze pruilt. Ik draai me om en open de frigo om haar een glas wijn in te schenken. Als ik de deur terug sluit zit ze met haar rug naar mij, gebukt, aan haar voeten te frutselen. Ze keert zich weer mijn kant op. De bloem zit op haar kleedje gespeld.
“Het is dezelfde kleur, dus dat lijkt me eerlijk.”
Ze duwt me haar slipje en tweeënhalve euro in handen, neemt het glas over en stapt parmantig weg voor ik iets kan uitbrengen. Ik staar overdonderd naar het stuk lingerie, vloek binnensmonds, frommel het gauw in mijn broekzak en was mijn handen. Mijn baas, ook achter de tap, heeft van de hele episode niets gemerkt. Er wachten nog meer mensen.

In de drukte van het opruimen ben ik haar uit het oog verloren. Het grasveld is intussen verlaten. De muzikanten zijn al lang en breed verdwenen. Met de lampen van de bar knip ik het laatste licht in de omgeving uit. Nu is er alleen nog de straatverlichting, verderop, die hier nog een kleine hint van zichtbaarheid wekt. Het moet op zijn minst drie uur ’s nachts zijn. Het enige geluid dat ik nog hoor – het geruis van de occasionele auto verderop registreer ik al lang niet meer als geluid – is de fontein die lustig doorklatert. En dan zachtjes, erdoorheen, terug dat luie, sensuele saxriedeltje. Mijn nieuwsgierigheid is geprikkeld. Dichter bij de fontein hoor ik de melodie beter. Er drijft iets in het bassin. Ik kniel op de rand om het beter te kunnen zien. Het lijkt op een bloem.

“Hoe lang heb je onder de douche gezeten?”
Ik schokschouder. Geen idee.
“Heb je meteen toen je thuiskwam muziek opgezet?”
Voor de zoveelste keer prevel ik mijn onwetendheid.
“Je bovenbuur zei dat hij muziek bij je hoorde vanaf halfzes. Hij is er zeker van dat het bij jou was, want niemand anders in het gebouw houdt van jazz. Het is een kwartier, hoogstens twintig minuten wandelen van het park naar je appartement.”
Langzaam maakt misselijkheid zich van me meester. Ik blijf gefixeerd op de gruwelijke tegelvloer, zelfs al gaat al het zwart en wit ervan aan het dansen. De inspecteur reikt over de tafel en duwt mijn kin omhoog, zodat ik hem moet aankijken. Ik vang een korte glimp op van de witte onderbroek, die ze uit mijn handen hebben gewurmd nadat ze me vanonder de douche hadden gesleept. Ik sla mijn blik neer zodat ik alleen de gore kruimels in zijn snor zie.


“Wat heb je in die twee uur gedaan?”

zaterdag 22 juni 2013

Ce n’est qu’un anneau, mec

Het weer is te mooi. Zonder enige consideratie om haar neerslachtigheid fluiten vogels vrolijk hun seksmelodieën. Honden hossen konten snuffelend achter elkaar aan. Het gras blaakt groen en stuift ongeremd zijn pollen rond. Tienerjongens bewijzen hun potentie door met elkaar te voetballen in bloot bovenlijf, de meisjes laten zich bewonderen in lichte jurkjes die zachtjes opbollen onder het zomerbriesje. Een naïeve passant zou hen de toeschouwers noemen. Mara weet echter al te goed dat deze meisjes de leiding nemen in de paringsdans, wat de bezwete torso’s met hun balspel daar ook van mogen denken. Ze wil naar hen toe lopen, hen door elkaar schudden, hen toeschreeuwen er niet aan te beginnen. Zeker, nu zijn ze begeerlijk, nu zijn ze sterk, nu zetten zij de krijtlijnen uit. Nu hebben ze dus ook geen reden om enige aandacht te besteden aan het hysterische gekrijs van een deplorabele oude vrouw wier tranen worden benadrukt door haar uitgelopen make-up. Niet helemaal het accent waarvoor ze ging.

Kenrick vloekt en claxonneert naar de dronkaard die onverhoeds oversteekt. De man zwaait zijn armen breed en spuwt op de voorruit. Kenrick wil uitstappen en de vlegel op zijn gezicht slaan, maar Lana legt haar hand op zijn been en maant hem tot kalmte. Ze kijken allebei even nog gespannen naar de oversteek van de beschonken dwaas. Kenrick werpt een blik in de spiegel en weer op de man. Ze lijken wel wat op elkaar, deze dronkaard en hij.
Getoeter wekt hem uit zijn gepeins, hij trekt weer op. Lana en de zon verdrijven de muizenissen gauw genoeg.

Lana legt aandachtig de laatste hand aan haar make-up. Haar spiegelbeeld glimlacht om zoveel juveniele schoonheid. Lana strekt haar hand uit naar de volle, donker rode lippen die zich zo in haar verlustigen. Geruisloos wijkt de spiegel terug. De geluiden van de eeuwige festiviteiten dringen de badkamer binnen: klinkende glazen, knallende kurken, schetterende muziek en een eindeloos divers rumoer veroorzaakt door geëxhilareerde genodigden. Als de zelfbewuste keizerin van dit imperium van vreugde schrijdt Lana de zaal in. Hoofden draaien haar kant uit, gesprekken stokken, een aanzwellend orkestraal geeft alles nog dat vleugje extra cachet. Hier is het middelpunt, hier is het centrum van de aandacht.
Een stralende Kenrick stapt op haar toe, neemt haar in zijn armen. Gezamenlijk wervelen ze dansvloer op. Gelukzalig werpt Lana haar rode lokken los.

Endre strompelt de bar uit. De tram, hij wil gewoon de tram. Maakt niet uit dewelke, gewoon… weg. Schelle claxons schreeuwen hem toe dat hij hier teveel is. Hij houdt zich met moeite overeind, ziet een auto dansen. Hij knijpt zijn ogen samen, tuurt naar de inzittenden, ze lijken op een ver vervlogen eergisteren. Zo snel als de herinnering voor hem danste, zo snel vervaagt ze weer. De olijke ochtendzon bezorgt hem dreunende koppijn. Aan de tramhalte klapt Endre dubbel, onder het goedkeurend oog van vele hongerige smartphones.

Een zomers streepje jazz schelt uit de grammofoon. Lana opent de balkondeuren en werpt een vergenoegde blik op de schitterende tuin. Ze ontdekt Kenrick die een rondleiding geeft aan een paar gasten. Hij vertelt geanimeerd, met brede gebaren, vermaakt zich duidelijk. Lana haalt zich het moment voor de geest toen Kenrick haar voor het eerst door die wonderlijke tuin leidde: zijn niet aflatende aandacht, hoe hij zachtjes haar schouder beroerde wanneer hij haar aandacht wilde vestigen op een detail, de galante handkus aan het eind.
De grammofoon springt onverwacht af, met een schril gekras. Het groepje onder haar is uiteen gegaan. Kenrick neemt nog afscheid van een meisje. Hij brengt haar hand naar zijn lippen. Het meisje werpt gelukzalig haar rode lokken los. Trillend keert Lana naar haar spiegel. Ze reikt naar de alsemkleurige lippenstift.

Kenrick stapt uit de auto en opent de motorkap. Een dikke walm begroet hem. Lana hangt uit het raam. Hoe ze nu op het vliegveld moet raken. Kenrick neemt zijn gsm en belt de wegenwacht. Dat ze haast mogen maken. Als hij zich weer in de richting van Lana keert ziet hij dat ze staat te praten met een jonge gast in een cabrio. Een tweede is bezig haar bagage uit zijn auto naar de cabrio te verzetten. Lana wuift naar hem. Geen zorgen, zo is ze gewoon zeker op tijd.
Als de wegenwacht hem ten langen leste heeft gedepanneerd, rijdt hij eenzaam naar huis. Hij snakt naar een glas bier.

vrijdag 21 juni 2013

Kere weerom

Er zit iets in de lucht, iets in mijn oog. Ik heb te lang met je gedanst. Een straatlantaarn flikkert een paar keer tam en dooft uit. Een verre stem mompelt iets onverstaanbaars, er wordt gespuugd. Een autodeur klapt dicht, de gierende banden klinken vlakbij mijn oor, maar ook dof. Met veel moeite breng ik een hand naar mijn gezicht. Warm, dik, kleverig. Mijn hoofd begint te bonzen en te tollen. Misschien moest ik maar eventjes gaan slapen, dan wordt alles vast veel duidelijker.

Daar, op de parking van de fitnessclub. I am Daar staat hij bij zijn dikke Audi. Mijn razernij draaft the push voorwaarts, hij kijkt niet op uit zijn koffer, zoekt iets in zijn that makes sporttas. Ik grijp de kofferklep en duw ze neer. Hij tiert, you move vloekt, struikelt bij het snelle wegdraaien uit de greep van I am the zijn wagen. Een vuist landt op zijn gezicht, een knie in zijn push that kruis. Ik timmer in zijn richting zonder veel beleid. Ik makes you move voel mijn slagen niet aankomen. En dan mis ik er daadwerkelijk een. En nog een. De volgende tel wordt alle lucht uit mijn longen gemept. Een slag op mijn oor geeft gekraak en ellendig gepiep. Ik wijk terug, duizelig. Ik heb hier duidelijk niet heel erg over nagedacht. Hij grijpt me bij mijn keel en werpt me neer. Ik krul op, denk alleen nog maar aan de pijn minimaliseren. Hij schopt. Dan knapt mijn linkerarm. Waarom heb ik niet nagedacht?

Je was niet gekomen. Ik staar uit het raam. Natuurlijk is het gezellig met de anderen, maar niet zo gezellig als wanneer jij erbij geweest was. Je had nochtans gezegd dat Je er zou zijn. Misschien kom je nog, je weet waarheen we gaan.
We stappen uit de auto. In het portiek zit iemand. Het licht floept aan als wij erin lopen. Je heft je hoofd naar ons op, je bebloede, beurse hoofd.
“Hij wilde niet dat ik kwam.”
Het komt er gesmoord uit. Ik duw mijn nagels in mijn handpalmen. Boeten gaat die fucker.