dinsdag 17 juli 2018

Het licht laat niet af


Suizen, tikken, bonken, gemurmel in de verte. Lichtflitsen dringen zich op aan mijn gesloten ogen. Doffe geluiden, gedempte stemmen kriebelen mijn trommelvlies om toegang. Een antwoord wurmt zich tegen mijn strot aan, verwordt tot niet meer dan een hijgpiepje. Een zandstorm gaat in mijn mond tekeer, mijn lippen schurken droog over elkaar. Smeer en smeul krinkelen mijn neusgaten in. Ik probeer uit alle macht mijn oogleden open te duwen, wat wegen die dingen. Een inspanningskreun verlaat eveneens mijn mond als weinig meer dan het gekras van een gewonde mus. “…bij.” Ik ontwaar een woord en dan gaat alles tegelijk: mijn ogen springen open en de vloedgolf aan indrukken die tegen de dijk van mijn bewusteloosheid aanrolde, stort zich door de ontstane breuk. Het blauw van zwaailichten, de stank van rubber, het af en aan van reddingswerkers, twee bij mij. Daar moet ik het mee doen, verder wil niets bewegen. Een ambulancier tracht me zalvend toe te spreken. “Hoort u mij, meneer? Geeft u mij gerust een klein teken, probeer niet te knikken, uw hoofd kan geraakt zijn.” Ik probeer eerst bevestigend te antwoorden, maar mijn stembanden hebben de werkzaamheden nog niet hervat. Ik besluit uiteindelijk haar recht aan te kijken en mijn ogen nadrukkelijk te sluiten en weer te openen. “Blijft u vooral rustig, meneer, we gaan zo proberen u los te maken, we doen zachtjes aan.”

Ik sla mijn ogen getergd ten hemel. Jaloerse eikel! “Dansen was het, gewoon dansen. Je weet wel, ritmisch bewegen, al dan niet met een partner…” Hij sneert er doorheen: “Wel, in dit geval duidelijk met een partner” “en soms met een andere en nog een andere en nog een andere, ja.” “Oh ja, en soms met twee tegelijk, als de kaas op de smos die nog op zoek is naar wat mayonaise. Maar toch vooral terug met die ene en die ene, mag ik opmerken, was niet ik.” Dat hij zijn fucking mayonaise in zijn kont steekt. “Ah, want het ligt natuurlijk aan mij dat jij niet danst, liever aan de bar blijft hangen om de barman gin-tonics af te luizen. Omdat ik per ongeluk een ander idee heb van amusement is het mij verboden om…” “Vertel me alsjeblieft over het moment wanneer ik je verboden heb te dansen. O, dat is er niet, wat verrassend. Zeik ik zelfs maar half zoveel over je dansen als jij over mijn drinken? Dacht ik niet, nee. Ik wrijf me in ieder geval niet een hele avond lang aan tegen mensen die ik nog nooit eerder heb ontmoet terwijl ik drink.” Hij trekt bruusk op bij groen, snijdt een fietser de pas af bij het rechts opdraaien. “Fuck, zot, kijk uit je doppen.” Hij weet dat ik er een hekel aan heb als hij onvoorzichtig is tegenover fietsers, ik fiets veel meer dan hij. Zijn neusvleugels zetten zich wijd terwijl hij als een briesende stier inademt. Aan zijn slaap gaat een ader vervaarlijk kloppen en ik hoor het geknars van zijn gebit. Dan worden we onverhoeds overvallen door de overal doorheen snerpende verkeersinformatie. We nemen even de tactische tijd om ons te herpositioneren in de loopgraven van ons ingebeelde gelijk. De verkeersinfo wijkt weer voor muziek. Take me out tonight, where there’s music and there’s people and they’re young and alive. “Ik krijg nochtans de indruk dat je me liever wat vaker een oogje of twee ziet toeknijpen.” Hijo de puta, werkelijk, nog een sarcastische opmerking over de fietser die híj bijna aanreed? Het is dat we intussen een autostrade opdraaien, anders trok ik de handrem op. “Heb je nog iets zinvollers te brengen dan dat gelul? Je weet zelf ook dat het niets betekent, maar je wil gewoon even verongelijkt doen.” Ik word er ook niet vriendelijker op, maar het kan me even niet meer schelen, laat hem maar eens voelen dat ik ook boos en geërgerd kan doen. “Ik ben niet stom, Pawel, ik weet wel dat je wil rondvozen, dat je niet genoeg hebt met mij alleen.” “Fuck, Artan, zwans geen pak, ’t is niet omdat ik wat dans, toevallig wat vaker met één aantrekkelijkere kerel dan de rest, ja, dat ik hem daarom ook een rondje wil berijden, leer onderscheid maken. Dansen is dansen, neuken is neuken. Ik hou toch gewoon van jou, dat weet je.” Goed, natuurlijk beeld ik me weleens in wat ik als vrijere man nog zou kunnen en mogen. Welk gehuwd mens doet dat nooit? Uiteindelijk draaien die overwegingen gewoon weer uit op alle redenen waarom je elkaar niet meer missen kan, met aan kop die ene eeuwige: liefde. Ik open mijn mond om wat te zeggen, maar Artan mist zijn versnelling, hij schakelt per ongeluk naar omlaag, de motor gilt het uit. Take me anywhere, I don’t care, I don’t care, I don’t care. “Je respecteert me niet.” Ach hemel, we krijgen die riedel weer. “Artan…” Hij maakt een afwerend gebaar. “Voel je je ring weleens, Pawel? Voel je je ring wanneer je door het haar van zo een danspartner woelt, wanneer je je shirt omhoog rolt om die v van je tentoon te stellen, wanneer je er een in zijn billen nijpt?” Nu voel ik het juweel in ieder geval, als een loden gewicht, een anker, een bol aan een ketting. Onnadenkend rol ik het metaal om mijn vinger. Ik brom wat: “Natuurlijk voel ik dat.” Hij vliegt uit: “Waarom stop je dan niet, waarom denk je dan niet na, Pawel? Je weet toch dat ik het haat om je zo te zien.” “Niet schreeuwen, Artan, ik vind het vreselijk als je schreeuwt.” Het jaagt hem alleen maar meer op de kast, zijn stem gaat nog een tik luider, slaat over. “O dát vind je vreselijk?” Nu wordt de tirade ondoordringbaar, ik steek mijn kop in kas, wachten, ondergaan, kijken wanneer ik iets verzachtends kan zeggen, ik heb hem teveel op stang gejaagd. Zo meteen is onze afslag, dan kan hij rustiger gaan rijden, hij is te driest nu. Daar is de afrit al, zo missen we hem, Artan beseft het ook, onderbreekt zijn getier voor een serie vloeken, de banden tieren nog luider dan hij.

Er is terug wat vocht in mijn mond. Ik probeer mijn nek te bewegen. Die zit hopeloos op slot. Ik kan Artan niet zien, het dak is ingedeukt tussen ons en ik ben bij het ongeval van hem weggedraaid komen te zitten. Tussen ons of, mijn adem stokt bij de gedachte, bovenop hem. Ik weet niet wat er achter me aan de hand is met de auto. Opgevouwen als een harmonica, stel ik me zo voor, want het is vanaf mijn rug dat ik gekneld zit. Brandweerlui wrikken en slijpen onder en achter me, de ambulancier blijft in de buurt, knikt me af en toe bemoedigend toe. Waarachtig, de druk neemt af en uiteindelijk steekt ze zelfs een duim op, er kan een brede glimlach af. Ze wenkt haar collega’s, die meteen komen toegesneld met een brancard. Omzichtig, er komt aardig wat pijn aan te pas, tillen ze me erop. Het interesseert me allemaal niet zo, ik probeer te kijken of ik een glimp van Artan kan opvangen. De zetel zit helemaal naar voor geklemd en net als de mijne naar buiten gedraaid. Ik zie alleen een been, een been in een vreemde hoek, twee vreemde hoeken, ik zie veel meer van een been dan ik ooit van een been had willen zien. Ik kokhals, sla mijn hand voor mijn mond, jaag daarbij pijnscheuten door mijn lijf. De ambulancier kijkt verschrikt naar mij, volgt het traject van mijn ogen, gaat dan snel in mijn blikveld staan. “Uw vrouw?” Ik wil hoofdschudden, wordt weerhouden door een nieuwe pijnscheut. “Mijn man.” Ze kijkt betrapt, verontschuldigt zich. Ik wil mijn schouders ophalen. Wat kan het mij verrotten wat haar vooronderstellingen zijn? Pas dan dringt het gewicht van haar vraag tot me door: ze weten nog niet dat de bestuurder een man is. Hoe opgefrommeld is die kant? Hoe opgefrommeld is Artan? Artan… Fuck, Artan, onuitstaanbare eikel, toch niet zo! Bloed en zweet waren er al bij de vleet op mijn gezicht. De tranen die ik mijn ooghoeken voel prikken kunnen er vast ook nog wel bij. De omgeving wordt weer waziger. Ik knipper het vocht weg. Verderop zit een man met zijn hoofd tussen zijn handen. Wellicht de vrachtwagenchauffeur die ons manoeuvre van zijn leven niet meer kon ontwijken en ons dus als een colablikje heeft samengeperst. Ik word de ambulance in getild. Kloterij, Artan, wat moet ik nu? De zon komt door de wolken piepen. Net voor de deuren van de ambulance dichtvallen, mept het licht me vol in het aangezicht. Het nabeeld blijft nog heel lang koppig achter mijn oogleden zitten.

donderdag 12 juli 2018

40


“Overloop het even voor me, de afgelopen weken. Hoe vaak per week denk je aan zelfmoord?” Hij haalt zijn schouders op, ik zie dat hij wil beweren dat het vast niet zo vaak is. “Ik bedoel niet hoe vaak je het overweegt en al helemaal niet plant of iets dergelijks. Hoe vaak denk je eraan?” Hij knippert een paar keer met zijn ogen, perst zijn lippen samen, beweegt ze heen en weer. Hij kijkt langs me heen, zijn tong stulpt zijn bovenlip van links naar rechts. Ik duw nog even door: “Hoe vaak flitst even het idee door je hoofd? Van eender hoe: het touw dat zich om je nek sluit, de grond die naderbij raast, je arm die slap over een leuning valt terwijl je bloed op de grond gulpt, het makkelijke stapje dat je zou kunnen nemen voor de aandenderende trein.” Hij ademt diep in door zijn neus, trekt opnieuw een paar grimassen. “Dat doet toch iedereen?” Ik grijns: binnenkopper. “Er zijn nog dingen die iedereen doet waarvan je er weinig moeite mee hebt alle details met me te delen. Zowat iedereen heeft ook seks en je vindt het geen probleem me te vertellen hoe vaak, met wie, in welke houding en in welke lichaamsopening jij het hebt.” Hij perst opnieuw zijn lippen samen, richt zijn blik naar de lucht, zucht fors en kijkt me weer aan. Ik weet dat het finaal niet het argument is dat hem over de streep trekt, we moeten gewoon even sparren voor hij het achterste van zijn tong laat zien. Het is een soort van paringsdans voor je hart uitstorten. “Drie, vier, misschien vijf keer per dag?” Deze keer zwijg ik, hij heeft tijd en stilte nodig om te vullen. Haast gedachteloos tast hij even naar zijn hals. “Het heeft iets esthetisch, je verhangen, iets dramatisch. Je maakt een lus, kiest een frame waar je het centrum van zult vormen, je steekt je kop door het venstertje, stampt het krukje weg, even trappelen nog en het is klaar.” Hij gnuift. “Bon, althans, dat is het ideaal. Waarschijnlijk schuurt het touw je nek open, of het breekt en je vernachelt alleen je lijf wat, of je krabt jezelf helemaal open omdat je instincten op het laatst overnemen.” Hij valt weer stil. Andere gesprekken op het terras kabbelen over ons heen. Ik blijf hem aankijken. “Springen is zo… abrupt. Het heeft geen stijl. En het is niet sympathiek.” Hij nipt van zijn cremant. “Allez, ’t is natuurlijk nooit sympathiek, iemand moet je vinden. Daarom is snijden ook niks. Glamoureus op het moment zelf natuurlijk, heel filmisch, van dat bloed dat zich een weg zoekt over je hand, uiteindelijk op de grond drupt. Maar wat een boeltje om op te kuisen, nee, dat is niks.” Hij leegt zijn glas. “CO. Als gebaar stelt het geen hol voor, maar je lichaam blijft wel intact. En je krijgt gewoon wat hoofdpijn, duizelingen en klaar. En je zorgt dat het duidelijk is dat de ruimte waarin je je bevindt vol gas hangt, zodat niemand stommelings ter dood blijft rondhangen wanneer ze je vinden. En geen ongein met je maag leegpompen zoals bij veel vergif.” De overwegingen choqueren me niet, noch de nogal zakelijke toon waarop hij ze debiteert. Variaties op deze bedenkingen heb ik al eerder van hem gehoord. Het gemak waarmee hij door de opties bladert is een resultaat van een melancholische, doodsdriftige aard die al jaren de mogelijkheden beschouwt. Ik heb me natuurlijk weleens afgevraagd of hij gevolg zou geven aan de gedachte wanneer hij een optie vond waarvan de voordelen, in zijn hoofd, voldoende opwegen tegen de nadelen. Nu beschouw ik hem echter bijna meer als een soort van curator van suïcide, dan een deelnemer eraan. Hij heeft weer even een piek momenteel, getuige de hoeveelheid gedachten en het automatisme waarbij hij lichaamsdelen aanraakt die zullen verstikt, verstrengeld, versneden worden in zijn scenario’s. Dat is niet de eerste. Het zal ook de laatste niet zijn, als hij zijn hart maar wat kan luchten.
“Of weggaan.” Dit is nieuw. En vlak, zijn stem is erg vlak. “Niet gevonden worden, gewoon verdwijnen. Vertrekken en kijken waar ik uitkom. Misschien bij een seriemoordenaar. Of een overdosis bij een al te vrijgevige junk. Of gewoon bezwijken op een lege landweg in Kyrgizië.” Ik signaleer de ober even om nog wat te bestellen. We zijn er nog niet meteen.

maandag 28 mei 2018

Ben-Oni


Dokter, ach dokter, wie had het kunnen denken? U heeft alles gedaan, dokter, alles wat u kan. U heeft alles gegeven, zich gesmeten, nooit versaagd. Maar ook alles kan te weinig zijn, ook wie niet opgeeft is te verslaan. Dag dokter, ik ga dan sterven nu. Er is te veel bloed weg, dat zie ik ook wel, en er gaat nog meer mis, dat voel ik pertinenter dan u. Het is erg sneu, dokter, maar ik ga.

Priester, vader, ach, beste man, u heeft geen plaats hier. Niemand hoeft mij aan het handje bij de veerman te brengen, noch hoef ik uw absolutie. Ik heb geen zorgen meer, frère, ik ga sterven nu. Wend u tot uw levende kudde, meneer pastoor, laat mij eenvoudig gaan.

Moeder, ma, ach ja, ´t is jammer, het hoort niet dat jij langer leeft dan ik. Maar toch, jij hebt al zo veel oefening gehad, een verlies meer of minder, je went eraan. Treur maar niet, sterven ga ik toch, en anderen zullen zich genoeg verdrieten in jouw plaats. Draag hen kwaad na om hun gehuichel, ze weten niet beter of het hoort zo. ´t Is jammer, moeder, maar jammeren hoort er nu eenmaal bij.

Cora, lieve Coraline, ween nu maar, ween al je stromen, ween hartelijk, hartgrondig, zoals we elkaar te gronde geliefd hebben, vriendin van me. ´t Is wreed, Coraline, dat ik je verlaten moet. Weet dat het voor mij niet had gehoeven. Mijn keuze is het niet, maar sterven ga ik, van binnenuit opgevreten. Blijf niet kijken doorheen je watervallen, Coraline, wat je daar doorheen zo wazig ziet ben ik nauwelijks meer. Mijn lijf stuipt de laatste klappen op het strijdperk, maar wees gerust, dan ben ik al lang en breed gegaan. Dus wuif me uit, keer je om en deel slechts de mooie memories met wie ons nog meer lief is. Ik ga niet zonder je nog een glimlach te schenken.

Ella, al te aantrekkelijke Ella, ´t is cru, Ella, maar ik heb je nooit gemogen. Grommend heb ik je dan maar leren aanvaarden. Wees oprecht, Ella, laat geen traan om mij, bewaar je meelij en liefde voor degene om wie je hier echt bent. Blijf je nog bij hem, Ella, nu ik ga sterven? Blijf alsjeblieft, al lonkt hij niet langer als verboden vrucht, als schitterend avontuur. Ik moet je niet, Ella, maar dulden moet ik je wel.

Mijn lief, mijn man, mijn kopzorg, straks mag die ring van je vinger glijden. Keil hem uit het raam, ver weg, onvindbaar, blijf me niet hondstrouw dragen. Laat een traan of wat om het bloed dat uit me vloeit, maar wees geen lastdier. Ik vloei uit je, ik ga sterven, ik versterf aan jou. Dit keer sluit ik voorgoed mijn ogen, niet slechts voor de uren die je wegbleef, de spannende anderen die je beschonk met een glaasje bier of wijn. Nu blijven ze dicht, die oogleden van mij, mijn zorgen vergezellen me naar gene zijde. Laat me los, neem niet meer dan het lichtvoetige dat je zo liefde in mij.

Orestes, mijn jong, mijn schat, mijn noodlot. Herinner je vader eraan je te vertellen over die ene urn, rij drie, zesde van links. Eis dat hij genoeg moois benadrukt. Wees niet al te boos dat ik je meteen verlaten moest. Ik bezweer je, ik heb je alles gegeven wat ik kon.
Maar ook alles is te weinig. Ook wie niet opgeeft, wordt overwonnen.

donderdag 15 februari 2018

Aquí


De grijze rand omlijst haar ogen, haar ogen, op de weg gefixeerd. Ik schouw aandachtig in de achteruitkijkspiegel, bestudeer de hoek van haar wenkbrauwen, een zeldzame harde lijn in een gezicht van zachtheid, rondheid – niet bolheid, rondheid – en misschien daarom zo mooi. Vanop de achterbank kan ik het gesprek met haar buurvrouw vanvoor maar moeilijk volgen. Ik ben maar een figurant, een aandachtige figurant onderweg op een achterbank. Yinthe rijdt beslist, niet bruusk, niet onvoorzichtig, maar fluks, met de zekerheid van de ervaren chauffeur. De sneeuw weerhoudt haar niet van een degelijk tempo. Ze houdt het gesprek vlot gaande, tokkelt bij tijd en wijle even op haar smartphone die als gps dienst doet. Er is geen spoor van aarzeling in haar. De zachtheid die ik in haar blik gewend ben, heeft zich even naar het tweede plan teruggetrokken. Er straalt concentratie uit haar ogen. Toch, de momenten dat ze naar achter blikt, mijn ogen vangt in de spiegel, breekt de lach door in het tedere groen van haar ogen. Het gaat haast ongemerkt, ik weet niet eens zeker of het gebeurt, of dat doorschijnende zachte moment er is. Ghitta, haar bijrijder, merkt er al helemaal niks van, die praat honderduit door. Wanneer ik flarden opvang van hun gesprek, voel ik me voornamelijk buitenstaander in een intense vriendschap, een rijk verleden aan gesprekken en momenten waardoor nu halve zinnen voldoen voor gegrinnik en helderheid. Het maakt me niet uit. Aan mij schieten de aankondigingen van de kempendorpjes voorbij, de weg van Antwerpen naar het noorden mij afdoende bekend. Ik concentreer me op wat ik kan opvangen van de radio, maar dat heeft weinig zin. Weinig zin, omdat ik weinig hoor en wat ik hoor voornamelijk de bas en percussie en enkele verdwaalde synthstoten van ongelofelijke snertnummers betreft. Als er dan al eens een stem mij bereikt, is het de kleuterjengel van Shawn Mendes of de o zo ongelofeloos ruige doch romantische rockstem van Bryan Adams. Ik vestig mijn aandacht weer op de spiegel. Ze blijft zich vooruit richten, het beeld krijgt vanuit mijn hoek een cinematische kwaliteit. Het zijn niet alleen haar wenkbrauwen en ogen, de glinstering op haar levendige wangen formeert ook mede het beeld van haar gelaat. Een beweging naast haar trekt mijn aandacht: Ghitta werkt even haar lippenstift bij met behulp van de spiegel in het zonneschermpje. Ik gluur mee over haar schouder, weeg een snelle vergelijking af tussen beide gezichten. Een futiele opgave die ik te veel gewicht geef. De tijd moet op de een of andere manier weg tikken, niet? De spiegel blijft maar kort naar beneden, te kort om werkelijk een afmeting te maken tussen deze donkere, diepe ogen in hun blozende omgeving tegenover de glinster van Yinthe. De zonwering klapt weer op, ogen en lippen van de vrouw voor me weer uit zicht. Bij een bocht dartelt er een streepje zonlicht door de spiegel. Het speelt Yinthe even in de ogen, een twinkeling bovenop het spel van haar eigen glimlach. Het licht zet me aan het twijfelen: zijn het groene ogen? Of misschien toch blauw? Ik feliciteer mezelf met de onderzoeksvraag die me noopt haar ogen te blijven zoeken. Had ik een handcamera, dan ving ik die ogen van haar in de spiegel. Dan kon ik kijken wat het beeld zou opleveren met verschillende muziek eronder. Zou ze de cool van Gosling krijgen met de synthpop uit Drive? Een actieheld worden met hoge adrenaline gitaren eronder? Een harde tante van een gescrewde hiphopbeat? Zou ze lieflijkheid ontlenen aan een deinend folkmelodietje? Wat zou haar het best passen?
In de periferie van mijn rêverieën glijden nu Nederlandse plaatsnamen langs. Dorst, daar moet ik steeds scheef om grijnzen. Gorinchem verschijnt ook al op borden, op grotere afstand weliswaar. Naar goede gewoonte verbaas ik me over de discrepantie tussen spelling en uitspraak van die stad en vraag ik me af of er nog andere gehuchten van een dergelijke naamsbehandeling genieten. Zou Mokum ook zoiets zijn? Maar dat heeft echt niets te maken met Amsterdam, bij Gorinchem is er tenminste nog soortement een verbastering herkenbaar. Hoe wordt Doetinchem uitgesproken – dat is de enige Nederlandse plaats die ik kan bedenken met dezelfde uitgang. Dokkum? Dotcom?
Voorin de auto wordt er nu over verjaardagsfeestjes gepraat. Wanneer Yinthe haar verjaardag moet vieren, wie er moet zijn en wanneer die kunnen, hoe iedereen in het hol van Pluto moet geraken en zo mogelijk ook nog terug. Grappig genoeg lijkt Ghitta al het denkwerk en regelwerk op zich te nemen. Ze beslist ook gewoon een datum, die zal het worden en geen andere.
De schemering zet zoetjesaan in. We draaien een parking op om even de benen te strekken. Even maar, de kou jaagt ons snel weer de auto in. Ghitta is moe, die wil graag even dutten, dus neemt ze mijn plaats op de achterbank in. “Als jij maar niet in slaap valt.” Ik weet mezelf gewaarschuwd. Van vanachter klinkt toch nog een vraag, of we nog even langs de Mac kunnen. Gewoon een burger, meer niet. We rollen gelijktijdig met onze ogen. Ik omdat ik vind dat fastfood niet de meest aangename geur ter wereld verspreidt – maar goed, er hangt hier sowieso een bizarre mélange van koe en zwavel – Yinthe omdat, waar ze meteen lucht aan geeft, ze net haar auto heeft ontruimd van zakjes en doosjes van een half jaar terug. Onder dreigementen en dure eden over vuilnisbakken passeren we alsnog door de drive through. Je kan ze er bij de gouden bogen in ieder geval geen verwijt om maken: hun fastfood is er behoorlijk snel. En ook genadig snel op, al ligt dat misschien meer aan Ghitta die schijnbaar eten kan laten verdwijnen door ernaar te kijken. Minder genadig is de radio: live uit de hel komen The Chainsmokers langs, en ja, het is met de kers op de taart: de samenwerking met Coldplay. Het moet zijn dat mijn gekokhals een zekere subtiliteit mist, want Yinthe commandeert me dan het station maar te veranderen. Het blijkt een vruchteloze odyssee te worden. Ik heb wel even wat anders op staan, maar uiteindelijk stranden we toch terug op de zender waar we begonnen. Soit, er zijn vast nog gruwelijkere dingen in het leven dan volkomen bloedeloze popmuziek.

Het is donker geworden. “Slaapt Ghitta?” Ik blik over mijn schouder en knik bevestigend. Hoewel ik nu naast Yinthe zit, ben ik haar via de spiegel blijven bestuderen. Telkens ik een tijdje heb weggekeken merk ik dat ik me haar blik nog wel kan herinneren, maar dat haar oogkleur heel erg nondescript wordt in mijn hoofd. Misschien omdat ik geen duidelijke kleur kan vastleggen. In het gele schijnsel van de straatverlichting zou ik het weer groen of grijs noemen.
Het licht wordt diffuser. Nevelslierten duiken op boven de velden. Luttele minuten verder blijft ook de weg niet gespaard en rijden we een mistbank in. Het duurt niet lang voor er werkelijk alleen nog maar grijs rondom de wagen zichtbaar is. De concentratie neemt het helemaal over bij Yinthe: ze kijkt strak voor zich uit, klemt haar handen net iets fikser om het stuur. Ik blijf even haar kant op blikken, merk dat een zachte goedkeuring als vanzelf mijn mondhoeken krult. Het enige dat af en toe het grijs doorbreekt zijn de rood oplichtende achterkanten van vrachtwagens die we voorbijsteken. Tot overmaat van ramp moeten we hier van de autostrade af. Ze tuurt intens de brij in, vertraagt dan toch maar om de afrit goed te nemen. Een verstandige keuze, want dat blijkt een tamelijk scherpe, lange bocht te zijn. De secundaire weg waarop we belanden is schaarser belicht, dus de suggestie van geel die zo-even nog boven ons aanwezig was, wordt nu helemaal zeldzaam. De weg slingert een beetje, zoals dit soort wegen al eens doet. We kruipen voort met een slakkengang. Het grijs lijkt soms aan densiteit te winnen, alsof er figuren in rondwaren. Een keer lijkt een ree vlak voor de wagen over de weg te springen. Yinthe rukt even verschrikt aan het stuur, maar hervindt snel de controle. Wanneer ze schakelt merk ik dat ik bij het verschieten mijn armen breed heb gespreid, onze handen strijken langs elkaar. Ik knijp even zachtjes op de rug van haar hand die op de pook ligt. We ademen gelijktijdig diep in door onze neus. Ik trek mijn hand terug.
De wegen worden kleiner, vertrouwen op de gps wordt belangrijker. Bij een iets te vroeg genomen bocht glibberen we even door het gras, Ghitta mompelt iets in haar slaap. De radio valt weg. Ik probeer een andere post te zoeken, maar de tuner blijft zinloos doorzoeken, cyclus na cyclus. Planten glijden over de carrosserie, langs beide kanten. Hoe smal is de weg hier eigenlijk? De radio vindt toch geluid. Het klinkt als het debuut van A Silver Mt. Zion. Welke radio is dit? Is dit een zender of pikken we per ongeluk iets anders op, iemand die de fm-band heeft gehackt of wat dan ook? De cijfers op de display veranderen lustig verder, alsof ze nog geen ontvangst hebben. Ik wijs naar de radio, wil Yinthe erop attent maken, maar mijn stem werkt even niet mee. Dan raakt ook de gps van de wijs: we zouden midden op een meer zitten. Hoewel ik geen idee heb waar we wel zijn, zijn we in geen geval op een meer. De gemiddelde auto zinkt dan. De auto begint te hobbelen, we zijn op kasseien beland. Zijn we in een dorp? “Waar zijn we?” Ghittas vraag komt met een geeuw. “Geen idee. Ik heb geen zin om verder te rijden, desnoods wachten we tot morgen, maar ik wil iets kunnen zien.” Ik stel voor om tenminste even de omgeving te verkennen, al is het maar voornamelijk op de tast. Ik stap uit, het is onwezenlijk stil. Mijn stappen in deze straat weerklinken in een andere straat waar ik mijn stappen hoor voorbijgaan in deze straat waar alleen de nevel werkelijk is. Een arm klemt zich om de mijne. “Hoe vinden we de auto terug?” Yinthe antwoordt door de afstandsbediening van het slot te gebruiken. Het piepje klinkt tegelijk alsof we het onder water horen en alsof het door een kathedraal weergalmt. Met mijn vrije hand voel ik om me heen. Ik stoot tegen een muur op. Er zijn hier huizen, alleen nergens licht. Ik houd mijn hand tegen de gevels aan om een richting te bewaren. Ik strijk langs luiken, ramen, voordeuren. Ik hoop maar dat ik nergens onverhoeds een bel indruk. Het begint koud en klam te worden. Ik wil net op mijn stappen terugkeren als: “Er heeft hier een deur meegegeven. Dit staat open.” We weifelen heel even, maar het is wel erg aanlokkelijk om ergens binnen te kunnen zijn.
Het blijkt een minuscule woning te zijn. Alles is in één ruimte: een pompbak, een stoof die wellicht ook als kookplaat en een zetel die wellicht ook als bed dienst doet. De gaskachel is ook de enige lichtbron. Er is niemand thuis. Met wat geknoei schakel ik de kachel in. Een behaaglijke warmte werpt zich in de minieme ruimte. We zijgen neer op de bank. Ik leg mijn hoofd in Yinthes okselholte, Ghitta zoekt plaats op haar schoot. Yinthe legt een arm om ons beiden. Ik richt mijn blik omhoog naar haar ogen. De vlammen dansen erin, weerkaatsen een blauwe schitter. Ze kijkt me aan, een vermoeide vreugde doet haar kijkers nog een keer oplichten. Dan klemt ze me dichter, zodat haar hartenklop me zachtjes de slaap in kan leiden.
Morgen zijn we alle drie ziek. We zullen niet weten wie wie heeft aangestoken. Nu zijn we hier.

woensdag 14 februari 2018

Verschoppeling


Ik begrijp niet dat niet elk huwelijk spontaan implodeert zodra het woord “kind” valt.
Mijn vader was begiftigd met een vermogen om zijn pessimistische melancholie in zo donker mogelijke termen uit te drukken. Dat zegt mijn moeder al eens. Nu ik op zolder op wat losse schrijfsels van zijn hand ben gestuit, kan ik moeilijk anders dan die stelling beamen. Gek hoe afstandelijk dat is: dit is dus het handschrift van mijn vader. Het schopt. Dat moet de laatste zijn. Een keer maar heeft ma het verteld: de hand van die man op haar bollende buik. Ik bewoog. Hij kneep zijn lippen samen en liep naar boven. Hij bleef lang boven. Toen mijn moeder ging kijken, zag ze alleen een openstaand raam. Hij is nooit teruggekeerd, nooit teruggevonden. Over deze notitie heeft ze het nooit gehad. Die moet van toen zijn en ze heeft alles ongetwijfeld ook gelezen. Ergo, ze heeft dit bewust verzwegen. Dat behoeft uitleg, daar is niet veel tijd meer voor, ze ligt in het ziekenhuis. Ze moet nog vijftig worden, maar het leven besloot wat anders. Bifenotypische acute leukemie, want als je alles indekt met grote woorden, lijk je er meer vat op te hebben.
Het schopt. Er staan nog een paar lichte vlekken onder die woorden. Wijn? Bloed? Ik blader terug door het notitieboek. Er staat van alles door elkaar: flarden van gedachten, commentaar bij die gedachten, data en namen – afspraken? – schijnbaar willekeurige reeksen getallen – iets met machten die hij zo te zien om een of andere reden uit zijn hoofd uitrekende tot in de honderdduizenden – referenties aan filosofische monografieën, een lijstje van talen met turfreeksjes achter en nog tig moeilijker te klasseren notities. De logica ontbreekt volkomen. Ik besluit uit te zoeken of er nog meer rode vlekken terug te vinden zijn, of zijn verdwijning na mijn geschop al voorafschaduwing kende.

Drie passages tollen door mijn hoofd, leunend tegen het waarschijnlijk oersmerige venster van de bus. Aguda espina dorada, quién te pudiera sentir en el corazón clavada. Dat staat over een vlek heen. Ik heb het opgezocht, het is van Antonio Machado. Er staat geen commentaar bij, het zit plompverloren gekneld tussen naar wat ik aanneem vergadernotulen zijn en een korte hymne op de vrouwenlach. Iets van die strekking, toch. Allebei vaker terugkerende teksten in mijn vaders, uhm, oeuvre.
Nummer twee is bijbels. Of Lord of the Rings. Of beide. Moria. Dat is alles. Nauwelijks zichtbare vlek ook, aan de rand van het blad, alsof het een papercut was. Dus: Abraham die dan toch net zijn zoon niet offert of een dwergenrijk dat ten onder gaat aan hebzucht. Iene miene mutte. Verder geen verklaringen of verwijzingen. Het is het enige woord op twee bladzijden. Alsof ik in een kinderdetective zat heb ik de bladzijden boven licht gehouden, om te zien of er met citroen of iets dergelijks op geschreven zou zijn. Weet ik veel hoe vreemd mijn vader exact was, ik heb de man nooit ontmoet. Ma heeft wel eens gezegd dat ze me graag Isaak had genoemd, maar dat hij vond dat het Jorge moest zijn. Daar doet het me aan denken, als het iets moet zijn. Over een meisjesnaam waren ze het eens geweest. Rosa.
En tenslotte: Het schopt. Dat is het dan. Ma mag de verbanden voor me leggen. En meteen ook maar eens verklaren waarom ze de naamkeuze heeft gevolgd van een vent die haar heeft laten zitten.

“Wij vechten graag voor u, niet met u.” De zinloze woorden wazen aan me voorbij terwijl ik op de verpleger af storm. Hij verwacht de duw niet, valt tegen de muur aan. Ik sla het laken terug, bevrijd het levenloze gezicht van mijn moeder. Ik val bij haar neer, omhels haar, schreeuw mijn radeloosheid uit. Woest keer ik me naar de verpleger, die weer recht staat, zijn handen afwerend voor zich. “Waarom ben ik niet gewaarschuwd? Waarom is het plots zo snel gegaan?” Hij stottert, lijkt een uitweg te zoeken, zijn ogen flitsen naar het tafeltje naast het bed, naar de deur, naar het venster. Het tafeltje trekt mijn aandacht. Met een snelle stap sta ik erbij, gelijktijdig met de verpleger, die probeert om de baxter die daar ligt te grijpen. Ik ben hem voor, zie niks bijzonders aan de zak. Dan kijk ik naar het infuus dat nu aanhangt. Dat is geen baxter van het ziekenhuis. Ik kijk terug naar de verpleger. Hij stamelt: “Ze had zoveel pijn, zoveel pijn.” Ik spring op hem af om hem te grijpen, maar mis hem grotendeels, hij glipt los. Hij rent naar het raam, trekt het open en springt eruit. Ik volg hem meteen. Hij is aan het wegkruipen, is slecht neergekomen, we komen van de eerste verdieping. Met een sprong ben ik bij hem, ik laat hem languit vallen, ik schop hem twee keer in het gezicht. “Ze had al zoveel pijn gehad, genoeg…” Ik wil hem nog een derde trap verkopen, maar met onverwachte kracht grijpt hij mijn voet en brengt me uit evenwicht. Hij krabbelt achteruit en haalt een pistool uit zijn binnenzak. Ik deins terug. Hij grimast en tast naar zijn ribben. “Ik kon het niet. Ik kan het niet. Ik had liever…” Hij maakt zijn zin niet af. Hij stopt het wapen in zijn mond en haalt de trekker over. Er trekt een korte rilling door zijn lijf terwijl het krachteloos de grond opzoekt. Ik staar naar het lichaam, verbaas me over de onwaardigheid die een lijk uitstraalt. Mijn aandacht wordt getrokken door zijn linkerheup die ontbloot is geraakt. Het vlees zit er vreemd uit, een wit litteken dat suggereert dat het opnieuw en opnieuw is open geweest. Ik kijk ernaar, voel mijn adem even stokken, mijn hart een slag missen. Rosa. Daar staat zonder enige twijfel Rosa. Opnieuw en opnieuw ingekerfd. Ik loop naar de andere kant van het kadaver, trek zijn hemd op. Ik weet dat het er zal staan, maar het zien voelt alsof mijn stampen van zonet op mijn eigen gezicht landen. Jorge. Er staan ook krassen door, alsof hij nooit heeft kunnen kiezen tussen mij voor eeuwig graveren of uitwissen.

Ik twijfel het langst met het notitieboek. De vlammen voldoen me niet. Ik begin de bladzijden uit te scheuren en op te eten. Ik zorg dat ik in ieder geval de drie passages opeet. Dat vind ik symbolisch, ook al weet ik niet heel zeker waarvoor. Als het kauwwerk me teveel wordt en de brand te ver verbreid is op de zolder, geef ik de rest van het boek ook maar over aan de likkende vuurtongen. Zelf ga ik naar beneden, naar buiten. Ik laat de voordeur wagenwijd open. Er is hier niets dat ik zal missen. Er is hier niets dat ik ooit gehad heb.

maandag 29 januari 2018

Matinée

Morgen is de dag dat alles verandert. Niet vandaag. Vandaag regeert het oude. Morgen, morgen opent Schrödinger een doos, maar vandaag blijft hij thuis en drinkt nog een glas wijn. Hij blijft thuis, drinkt een glas wijn en ik blijf thuis, drink een glas wijn en schrijf dat morgen Pandora een doos opent. Ik drink een glas wijn en schrijf morgen, zo zit morgen in mijn pen, morgen dat alles verandert. Morgen zit in mijn pen, ik drink een glas wijn en blijf op, op als mijn wijn. Ik waak, ik blijf op zodat morgen niet komt. Zoals sinterklaas - niet sinterklaas, de lego en de chocola - sneller daar is als je zoet vroeg slapen gaat, zo komt morgen niet als ik wakker blijf en morgen mijn pen in schrijf.
Ik schrijf morgen mijn pen in, omdat ik niet bang mag zijn. Ik mag niet angstig, ik moet zorgen, geen zorgen maken, gewoon zorgen, steunen, ik moet sterk. Ik schrijf morgen mijn pen in, want ik mag niet wenen. Droef staat me niet, hoe waag ik? Hoe waag ik wangen waterig anders dan eindeloos gelukkig?
Ik mist, ik prikkel, de woorden uit mijn pen verschuilen zich en morgen steekt een treiterende tong uit. Morgen dartelt weg van mijn schrift, keer weer morgen, ik schrijf je in mijn inkt, ik schrijf je in mijn pen. Mijn pen waait en wobbelt, morgen ontspringt, dans niet pen, morgen ontspringt.
Wacht maar, morgen, ik ben een wachter. Ik waak, waak geduldig tot je niet komt en ik je in mijn pen schrijf en niets veranderen hoeft. Ik kan waken, morgen, ik waak tot overmorgen, ik waak over morgen en morgen blijft in mijn pen. Overmorgen komt en Pandora en Schrödinger matchen op tinder en openen een doos voor elkaar en ze drinken een fles wijn. Ik drink een fles wijn en schrijf over morgen en dra is overmorgen daar, ik waak nog even. Wijn, waak met me. Wijn, water mijn wangen, want wijn mag wat ik niet mag. Ween, wijn, en waak. Ik drink een fles wijn, maar wijn laat me in de steek, wijn is niet oneindig, ik ben onwijndig. Ik ben onwijndig, geen nood, geen zorgen, ook zonder wijn moet ik zorgeloos, geen nood, ik heb het laatste voor het best bewaard. Waak met me, Finnegan, waak, whisky. Ik ben morgenloos. Geen zorgen, Finnegan, morgen ligt onbekommerd in een kist. Morgenlicht in een kist, waak over de kom, geen kom, onbekommerd, onbezorgd, we brengen de doos niet en we hacken tinder en dan matcht er niemand en gaan er geen dozen open, geen morgenlicht. Whisky, Finnegan, whisky met ne whiskymisker. Whisky wijkt en waakt en wobbelt mijn pen. Ik pen helder, ik pen nog scherp en scheef, geen nood, geen morgen. Overmorgen heb ik een kater, weet niet of die leeft of sterft. Overmorgen verandert nisk, nisky.
Tollend word ik door mijn eigen leden bedrogen, bedrogen ogen, bedogen, de leden vallen zwaar. Nee! Waak, wijk niet, oogleden, droogleden, onbewaterde leden, tandengeknars noch geween hier. Waak over morgen in de pen, morgenlicht in de kits, kots, kist.
Trakteer me nog een keer, want morgen is de dag die alles verandert. Laaf me laveloos, zorg me zorgeloos. Fiks me nog een whiksy, Whinnegan, fisky, Finnetou, toe, nog eentje, is geentje.
Vandaag regeert het oude. Laten we vandaag behouden. Morgen is in mijn pen geschreven, dra gloort overmorgen, glorie over morgen, overwonnen morgen. Vandaag blijft morgenloos, ik ben van daag. Heden: ancien regime. Morgen: loos.

donderdag 28 december 2017

Eleison

Liefst sloot ik je in mijn armen, fluisterde je toe dat het me spijt. Al moest ik dan uitleggen wat en zeggen “alles”, wat klinkklare kletskoek is, want er zijn vast dingen die niet spijtig zijn en nog veel meer dingen waarover ik geen spijt dien te betuigen, zelfs niet aan jou. Nee, dit is niet genoeg.
Liefst: ik ontmoet je in de plenzende regen.
Soit, liefst hoefde het allemaal niet. Zag ik je eenvoudig mooier worden en zelfverzekerd onafhankelijk de wereld tegemoet treden. Gegeven is nu echter wat gegeven is. Laten we daar vertrekken in onze liefhebberij.
Liefst: je staat te rillen in zo een ellendige lentedrasj: dikke druppels vermengd met half gesmolten vlokken en ratelende rothagel. Gegeven.
Liefst stond je me toe mijn jas om je heen te wikkelen en je schouders te omvatten, legde je je voorhoofd tegen mijn hals te rusten en fluisterde ik je toe dat het me spijt, dat ik je nooit die regen in wilde laten lopen. Liefst had ik die kou voorkomen, ook al is dat een tamelijk dwaze gedachte van mij, aangezien ik niet daar was waar je vertrok, noch heb ik veel over de kou te zeggen.
Kom, kom met me mee. Dan hul ik je in mijn vest. We vergeten de blikken, de mensen, de stad en de snijdende opmerkingen. Dan zeg ik dat wie zonder zonde is het eerste woord maar werpt. Dan huil ik je in mijn veste. Liefst droogde ik je tranen.

Treur ik dan, dat je Nazarener voor me spelen wil? Val ik, dat je Cyrener voor me zijn wil? Heb ik nood aan je redding? Jij bent blind geweest en ver verwijderd, stom gebleven toen je je stem verheffen kon, jij hebt je gordijnen gesloten toen je achtertuin te verontrustend voor je werd. Nee, het is jouw spijt, jouw strijd niet, jij hebt je onttrokken. Dus bedankt voor je jas, maar nee bedankt voor je armen en je hals, ik banjer zelf wel verder door de drup, dan kan jij hier stom geslagen blijven staren – hoeft er niet veel te veranderen.

Ze zet zich af, keert zich om, deint majesteitelijk de niet aflatende regen in. Wie behoeft wie eigenlijk? Messias, schuldenaar, wie gilt er in mijn hoofd? “Ga achter haar aan, ga achter haar aan, klaar nu met bankzitter zijn.” Ik stap uit het bushokje, de regen verdubbelt haar inspanningen, ik ben ter plekke doorweekt. Daar kan mijn jas waarschijnlijk nauwelijks tegenop, ze heeft er sowieso geen knijt aan. Het donker heeft haar al opgeslokt, waarheen, waarheen? Op goed geluk, die kant, die kant, veel anders kan ze niet gedaan hebben? Een auto snelt langs, spat nog meer water over me heen, het maakt geen verschil meer, mijn bril is een zwembadbodem. Ik heb niets om op af te gaan: het geraas van de regen overstemt haar mogelijke voetengetik, het neerplenzende duister ontneemt me zicht en tast. Stuurloos stort ik me sneller achter haar aan.

Denk je dat ik ze niet bespeurde, je tastende blikken, je gekrioel van gedachte, ongestelde vragen? Je gevors kleeft me aan en ik blief het niet. Liefst? Liefst, kloothommel? Ik sta warm binnen terwijl jij er voor mijn deur in slaagt de bus niet te zien. Liefst? Hier zit ik dan, over je geknield. Het is jouw bloed dat het water mee spoelt. Zal de regen aanzwellen tot storm en orkaan, nu het jouw regen is? Citeer je Christus zo graag omdat je zelf zo schuldig bent? Ik neem je bloedoffer graag aan. Ik zal je hand vasthouden tot je helemaal uit me weggesijpeld bent.

Ik heb nooit onschuld voorgewend. Ik wist alleen niet dat ik zo schuldig zijn zou.


Beeld: sneeuwtapijt. Een dikke laag zuivere sneeuw op daken, op auto’s, op bomen, op een bushokje. Een sneeuwheuvel, nee, twee mensen onder de sneeuwdeken. Zij zit, knieën op de grond, voeten wijzen naar buiten, ze houdt zijn hand vast, hij ligt, zijn hoofd op haar schoot, wil maar niet doodbloeden. Zij ook niet, al loopt het haar uit de ogen. Op elke wang hebben de rode tranen drie sporen gekozen. Hij houdt haar hand vast, het leven wil maar niet van haar wijken. Een vroege wandelaar komt langs, blijft verwonderd staan kijken, bevriest mee het beeld in. Een vader met twee kinderen, twee joggende vriendinnen, een postbode op een fiets. De moedige menigte van aanschouwers dikt aan. Niemand zet een voet dichter, dit is heilige grond. Zelfs twee honden voegen zich naar de eerbiedige stilte. Niemand waagt een sneeuwbal.


Ik hoef je spijt niet. Weet je nog dat je naar me toe kwam, het kan niet later dan halfzes ’s morgens zijn geweest? We hadden gerepeteerd voor het theater, de avond voordien. We zijn nog wat gaan drinken en toen gingen we ieder zijns weegs, naar huis. Ik ging althans naar huis, ik heb pas veel later begrepen dat jij dat niet deed. Daar stond je, die morgen, en je zei dat het niet eerlijk was dat ik jouw minnares moest spelen. Niet eerlijk voor mij, omdat mensen mij de schuld gaven en het mijn schuld niet was. En toen liep je weg en je liet me helemaal verward achter aan mijn voordeur. Waarom kwam je me dat zeggen? Een week na de première werd ik neergestoken door een fan van je vrouw. Zo een type dat de werkelijkheid moeilijk loskoppelt van de fictie. Hef je vinger niet om me te vertellen dat ik de zegswijze verkeerd heb, ik bedoel exact dat. Onze fictie is veel groter dan de werkelijkheid. Zeker onze fictie, met alles wat we over elkaar verzonnen hebben, alle gesprekken die we nooit hebben gevoerd, alle ballades die we nooit voor elkaar hebben gezongen, alle brieven die we elkaar nooit hebben opgestuurd of zelfs maar geschreven. Elke dans waar we de muziek van hebben gehoord, maar zijn blijven zitten. Maar daar gaat het nu zelfs niet om. Ik lag in het ziekenhuis en pas toen heb ik beseft waar jij die ochtend vandaan kwam. Ik ben in iemand anders plaats neergestoken, de jouwe, de zijne, dat weet ik niet zeker. Bij de verdeling van je hart mocht ik misschien een stukje, bij de verdeling van je lust kwam ik een stukje tekort. Een centimeter of vijftien.
De regisseur is me wel elk vrij moment komen opzoeken. Jij? Hoe vaak was je er? Ik had je zelden zo ver weg gevoeld. Wist je dat hij kwam? Heb je hem er ooit op aangesproken, hem ooit gevraagd of hij wist wat hij deed? Hij was er, met de hele reutemeteut: bloemen, fruitmanden, pralines. Een jas ook een keer, toen ik bijna mocht vertrekken. Het zou kil gaan waaien de dag dat ik uit het ziekenhuis ontslagen werd. Kil was het, zelfs met de jas, die misschien meer schoonheid dan bescherming toevoegde, en ik vond het nog een compliment ook. Toen spatte zijn relatie uit elkaar. Zijn relatie, mag ik opmerken, niet zijn huwelijk, ze waren hoop en al twee jaar bij elkaar, maar ik was de feeks. De feeks, de inbreker, de scharlaken a. Wie was jij? Waar was jij? Veilig in je huwelijk? Verstandig schattend naar alle partijen aan het luisteren – je weet wel, behalve naar mij? Zijn relatie, mag ik opmerken, met een van de belangrijkste geldschieters van het theater. Zij neemt echte beslissingen, geen artistieke. Voor mij is het wel klaar in het wereldje. Voor jou niet, voor hem niet, jullie wurmen jullie er wel weer door. Heb je wat gezegd? Heb je wel eens iemand tegengesproken? Heb je een vinger opgeheven om me te helpen? Je was bang van honderd dingen, misschien ging je vriendschap met de regisseur eraan, of je huwelijk, of je geheime relatie. Of misschien dacht je zelfs aan het gezelschap, dat het uiteen zou spatten, net op de rand van de doorbraak. Aan mij heb je pas gedacht toen ik het brandmerk lang en breed droeg, toen de pijn ervan bijna weer begon weg te trekken, het eigenlijk meer jeuk was geworden. Toen je zeker was dat jouw huid gaaf zou blijven. Liefst? Was me maar tegemoet gekomen toen de koude lente nog op me plensde. Had meer gedaan dan wensen. Nu is het winter.



De rode traansporen dampen, schroeien haar de kleren van het lijf. De lijnen lopen door over haar borsten, haar buik, haar dijen. Alleen zijn jas blijft over, losjes open op haar schouders, de kap over haar wilde haren. Hun bloed vermengt zich op en naast zijn lichaam, het loopt over zijn ribben – je kan ze tellen. Hij richt zich op, ze ondersteunt hem, hij gaat voor haar zitten, onttrekt haar naaktheid aan het zicht, stelt de zijne tentoon.
Niemand zet een stap dichter, dit is heilige grond.
Ze omhelst hem, staat op, helpt hem overeind, gaat fier naast hem staan. Zijn jas dwarrelt naar de grond.
Een enkeling weifelt.
Ze leggen een arm om elkaars rug. Minutenlang blijft de stilstand. Ze keren zich om en strompelen, wandelen, schrijden majesteitelijk weg.
Niemand waagt een sneeuwbal.