donderdag 21 januari 2010

Gravel Zij Wensdroom

In drie delen

Je luistert naar de stem, maar herhaalt de tekst niet. De tekst moet uitgewist. Je moet jezelf in onachtzaamheid ontmoeten, niet in onbetekenende vlucht. Als je vlucht, vlucht dan tenminste van jezelf, niet van wie je wanhopig doodssteken toedient, wiens bloed over je scherpe snede vloeit. Ren niet langer van de heuvels af, in wilde hartslag onbetaamd gebonkt. Staar niet ledig voor je uit, maar vul de dood, de kreten van de stilte met de echo van de wolken en de kleuren van de dreun. Muil, muil, sleur je bemanning uit Charibdis. Lonkt daar nimf of sirene, cycloop of cycloon? Draaf door drieste drang drijvende dichters driewerf duizelig. Blijf van de drank af, een oorlam voor wie van de drank kan blijven. Hij vangt er tweeëntwintig. Brandt de wereld al?
Ik neem nog iets om mijn hart te verwarmen. Mijn pijn is echt, de wereld lost op en ik verga tot zand. Neem snel mijn hand en leg de verklaring af. Als je wil zal ik het schreeuwen, vannacht, midden op het plein. Ontevreden wolken stormen dichter, voortgedreven op de harteloze wind. Blaas, blaas, noordenwind.

Ik zie, ik denk, ik brand, ik ween, en zij die me
Met zorgen vult is altijd voor me in mijn
Zoete lijden, ik ben in oorlog, vol pijn
En woede, en vind enkel vrede in aan haar denken.


Ik ben verdwaald in mijn verleidelheid. Als ik in de spiegel kijk, zie ik iemand die ik nooit had willen zijn. Een scherf voor elk trimester. Mijn fantasie was een paleis met drie kamers en jij heerste in elk van de drie. Voor schoonheid is het weer te laat, haar leven is als de rivier die de bodemloze zee vult. Dit is een paleis van heimweelde. Ik wil wel dwars door de dood heen zingen, maar ik luid haar slechts in.

donderdag 14 januari 2010

Een daad van liefde

For my sweetheart, the melancholy

Een eenzame stem klimt naar de hoogste hoeken van de vrieskoude kathedraal. Een dapper, doch ietwat miezerig winterzonnetje weet alsnog spektakel te maken van de massaal aanwezige glas-in-loodramen. Ze zingt haar wezen uit voor het lege schip.
Hij zit in de biechtstoel. Zijn handen en voeten zijn ijsblokken, maar voor eens kan het hem niet schelen. Hij is ingebed in het geluid van een stem als sneeuw: maagdelijk koud, perfect glad en toch doorklankt van die diepe belofte van warmte voor wie zich laat omhullen. Hij tracht voorzichtig het gordijn een kiertje open te trekken, om er achter te komen aan wie deze ijskoningin wel mag wezen. Ze staat met haar rug naar hem toe. Het is haar haar dat hem eerst opvalt. Het heeft de kleur van zonnestralen op een late herfstmiddag. Ze draagt een lang kleed in vorstelijk purper.
Zachtjes verlaat hij de biechtstoel. De trap naar de omloop is gelukkig dichtbij. Ze gaat trouwens zozeer op in haar gezang dat hij welhaast te voorzichtig is. Hij probeert zakelijk te wandelen, alsof hij eigenlijk iets belangrijks is aan het doen. Dan lijkt hij niet zo betrapt als ze toevallig naar boven kijkt. In de schaduw van een pilaar blijft hij staan. Van hieruit kan hij haar goed bekijken. Zijn adem stokt bij de sacrale sfeer die ze uitademt.
Dan zwijgt ze abrupt, opent haar ogen en kijkt hem pal aan. De schaduwen om hem heen vlieden verschrikt en hij staat bloot aan haar doorborende blik. Hij rilt, voelt de kathedrale kilte op zijn naakte huid. Ze reikt naar hem alsof hij over de rand van een afgrond hangt. Hij legt zijn hand in de hare en laat zich op de begane grond tillen. Met enige verbazing constateert hij dat de biechtstoel in brand staat. Ze houdt zijn vingers stevig omklemd en leidt hem het gebouw uit, de snijdende noorderwind in. Een pad dat alleen maar bij de gratie van regelmatige bewandeling bestaat, slingert zich van de heuvel af, naar de rivier. Hand in hand steken ze het schuimende water over. Het voelt onder zijn zolen als ijs, maar dan in woeste beweging. Op de andere oever aangekomen kijkt hij terug. Even laat ze hem los. De rivier wijkt uiteen, als om hem uit te nodigen alsnog terug te keren. Hij schudt zijn hoofd en schikt zich overtuigd weer in haar hand.

zaterdag 9 januari 2010

Inwendige Orde

Toen werd ik, uit nostalgische overwegingen, weer verliefd. Mensen begrijpen dat niet, nostalgie. Ze denken dat het een bewegingloos herkauwen van het verleden hoort te zijn. Dat is natuurlijk baarlijke nonsens. Nostalgie is geen traditie, geen stilstand, geen hersenloos teruggrijpen naar een geromantiseerd verleden. Het is een greep op de huidige werkelijkheid, gestuurd vanuit een levend besef van een even rottige tijd die al achter de rug ligt. Geen koude, stalen greep, maar een liefkozende, masserende hand die de bloeddoorloop van het heden vergemakkelijkt. Het is het grondige besef dat wie het verleden boetseert, de toekomst beeldhouwt. Nostalgie is actie, omdat stilzitten en gedachteloos traditionalisme ’s levens grootste sluipmoordenaars zijn. Kan het dan fout zijn te willen zweven als weleer?

Hij peripateerde kuierlijk door de stoa. Nu de ongenadige zon zijn gesel wat had geminderd, was de tijd daar om naar het amfitheater te trekken. Hij vleide zich neder op de stenen zitplaatsen. Zijn leerlingen zetten zich rondom hem. Hij streek met zijn hand door zijn haar.

Mijn broeders, liefde is geen blijde intrede. Het is een schreeuw in het donker, een onophoudelijk vechten tegen een niet aflatende bierkaai, een menigte minkunkels die dood lawaai maken. Liefde is een koude en gebroken lofzang, een eeuwig terugkeren naar schaamte, naar alle gemaakte fouten, naar de wenteling van de schuld.
Dan is verliefdheid vergevingsgezinder, een eeuwig katastematisch verlangen waarnaar niet gehandeld mag worden. Verliefdheid is een oneindige daad van begeerte, onvervulbaar in zichzelf, uiteindelijk slechts zinvol voor het individu.

Hij dreef weg op gedachtenwolken. Zijn blik wierp zich naar het podium, waar Eros de Muzen begeleidde in een symfonie van zelfbegoocheling. Zijn leerlingen volgden gedwee zijn blik de scène op, waar ieder van hen ontmoette wat hij verwacht had te zullen zien.
Ieder vond een antwoord, noch zichzelf.

Is verliefdheid dan volitie, dan is zij slechts lust, een onbegrensde ondaad van zelfbevrediging, slechts onvervulbaar in of uit zichzelf en zelfs voor het individu zinloos.

Hij daalde uit de hemelen neer om zijn zachtste ogen in haar glinsterende aangezicht te leggen. Vanuit zijn borst barstte onweerstaanbaar een glimlach op zijn gelaat. De late zon legde brons op haar wangen.
Er viel niets meer af te dingen op bezinning.