woensdag 14 februari 2018

Verschoppeling


Ik begrijp niet dat niet elk huwelijk spontaan implodeert zodra het woord “kind” valt.
Mijn vader was begiftigd met een vermogen om zijn pessimistische melancholie in zo donker mogelijke termen uit te drukken. Dat zegt mijn moeder al eens. Nu ik op zolder op wat losse schrijfsels van zijn hand ben gestuit, kan ik moeilijk anders dan die stelling beamen. Gek hoe afstandelijk dat is: dit is dus het handschrift van mijn vader. Het schopt. Dat moet de laatste zijn. Een keer maar heeft ma het verteld: de hand van die man op haar bollende buik. Ik bewoog. Hij kneep zijn lippen samen en liep naar boven. Hij bleef lang boven. Toen mijn moeder ging kijken, zag ze alleen een openstaand raam. Hij is nooit teruggekeerd, nooit teruggevonden. Over deze notitie heeft ze het nooit gehad. Die moet van toen zijn en ze heeft alles ongetwijfeld ook gelezen. Ergo, ze heeft dit bewust verzwegen. Dat behoeft uitleg, daar is niet veel tijd meer voor, ze ligt in het ziekenhuis. Ze moet nog vijftig worden, maar het leven besloot wat anders. Bifenotypische acute leukemie, want als je alles indekt met grote woorden, lijk je er meer vat op te hebben.
Het schopt. Er staan nog een paar lichte vlekken onder die woorden. Wijn? Bloed? Ik blader terug door het notitieboek. Er staat van alles door elkaar: flarden van gedachten, commentaar bij die gedachten, data en namen – afspraken? – schijnbaar willekeurige reeksen getallen – iets met machten die hij zo te zien om een of andere reden uit zijn hoofd uitrekende tot in de honderdduizenden – referenties aan filosofische monografieën, een lijstje van talen met turfreeksjes achter en nog tig moeilijker te klasseren notities. De logica ontbreekt volkomen. Ik besluit uit te zoeken of er nog meer rode vlekken terug te vinden zijn, of zijn verdwijning na mijn geschop al voorafschaduwing kende.

Drie passages tollen door mijn hoofd, leunend tegen het waarschijnlijk oersmerige venster van de bus. Aguda espina dorada, quién te pudiera sentir en el corazón clavada. Dat staat over een vlek heen. Ik heb het opgezocht, het is van Antonio Machado. Er staat geen commentaar bij, het zit plompverloren gekneld tussen naar wat ik aanneem vergadernotulen zijn en een korte hymne op de vrouwenlach. Iets van die strekking, toch. Allebei vaker terugkerende teksten in mijn vaders, uhm, oeuvre.
Nummer twee is bijbels. Of Lord of the Rings. Of beide. Moria. Dat is alles. Nauwelijks zichtbare vlek ook, aan de rand van het blad, alsof het een papercut was. Dus: Abraham die dan toch net zijn zoon niet offert of een dwergenrijk dat ten onder gaat aan hebzucht. Iene miene mutte. Verder geen verklaringen of verwijzingen. Het is het enige woord op twee bladzijden. Alsof ik in een kinderdetective zat heb ik de bladzijden boven licht gehouden, om te zien of er met citroen of iets dergelijks op geschreven zou zijn. Weet ik veel hoe vreemd mijn vader exact was, ik heb de man nooit ontmoet. Ma heeft wel eens gezegd dat ze me graag Isaak had genoemd, maar dat hij vond dat het Jorge moest zijn. Daar doet het me aan denken, als het iets moet zijn. Over een meisjesnaam waren ze het eens geweest. Rosa.
En tenslotte: Het schopt. Dat is het dan. Ma mag de verbanden voor me leggen. En meteen ook maar eens verklaren waarom ze de naamkeuze heeft gevolgd van een vent die haar heeft laten zitten.

“Wij vechten graag voor u, niet met u.” De zinloze woorden wazen aan me voorbij terwijl ik op de verpleger af storm. Hij verwacht de duw niet, valt tegen de muur aan. Ik sla het laken terug, bevrijd het levenloze gezicht van mijn moeder. Ik val bij haar neer, omhels haar, schreeuw mijn radeloosheid uit. Woest keer ik me naar de verpleger, die weer recht staat, zijn handen afwerend voor zich. “Waarom ben ik niet gewaarschuwd? Waarom is het plots zo snel gegaan?” Hij stottert, lijkt een uitweg te zoeken, zijn ogen flitsen naar het tafeltje naast het bed, naar de deur, naar het venster. Het tafeltje trekt mijn aandacht. Met een snelle stap sta ik erbij, gelijktijdig met de verpleger, die probeert om de baxter die daar ligt te grijpen. Ik ben hem voor, zie niks bijzonders aan de zak. Dan kijk ik naar het infuus dat nu aanhangt. Dat is geen baxter van het ziekenhuis. Ik kijk terug naar de verpleger. Hij stamelt: “Ze had zoveel pijn, zoveel pijn.” Ik spring op hem af om hem te grijpen, maar mis hem grotendeels, hij glipt los. Hij rent naar het raam, trekt het open en springt eruit. Ik volg hem meteen. Hij is aan het wegkruipen, is slecht neergekomen, we komen van de eerste verdieping. Met een sprong ben ik bij hem, ik laat hem languit vallen, ik schop hem twee keer in het gezicht. “Ze had al zoveel pijn gehad, genoeg…” Ik wil hem nog een derde trap verkopen, maar met onverwachte kracht grijpt hij mijn voet en brengt me uit evenwicht. Hij krabbelt achteruit en haalt een pistool uit zijn binnenzak. Ik deins terug. Hij grimast en tast naar zijn ribben. “Ik kon het niet. Ik kan het niet. Ik had liever…” Hij maakt zijn zin niet af. Hij stopt het wapen in zijn mond en haalt de trekker over. Er trekt een korte rilling door zijn lijf terwijl het krachteloos de grond opzoekt. Ik staar naar het lichaam, verbaas me over de onwaardigheid die een lijk uitstraalt. Mijn aandacht wordt getrokken door zijn linkerheup die ontbloot is geraakt. Het vlees zit er vreemd uit, een wit litteken dat suggereert dat het opnieuw en opnieuw is open geweest. Ik kijk ernaar, voel mijn adem even stokken, mijn hart een slag missen. Rosa. Daar staat zonder enige twijfel Rosa. Opnieuw en opnieuw ingekerfd. Ik loop naar de andere kant van het kadaver, trek zijn hemd op. Ik weet dat het er zal staan, maar het zien voelt alsof mijn stampen van zonet op mijn eigen gezicht landen. Jorge. Er staan ook krassen door, alsof hij nooit heeft kunnen kiezen tussen mij voor eeuwig graveren of uitwissen.

Ik twijfel het langst met het notitieboek. De vlammen voldoen me niet. Ik begin de bladzijden uit te scheuren en op te eten. Ik zorg dat ik in ieder geval de drie passages opeet. Dat vind ik symbolisch, ook al weet ik niet heel zeker waarvoor. Als het kauwwerk me teveel wordt en de brand te ver verbreid is op de zolder, geef ik de rest van het boek ook maar over aan de likkende vuurtongen. Zelf ga ik naar beneden, naar buiten. Ik laat de voordeur wagenwijd open. Er is hier niets dat ik zal missen. Er is hier niets dat ik ooit gehad heb.

Geen opmerkingen: