vrijdag 11 juli 2008

Omenheer

Ik dacht eens een wandeling te doen vandaag. Het is een fout die ik soms maak. Ik liet mijn voeten de beslissingen nemen, dwaalde zo het onbekende in. Het sierlijke grijs van de ochtendlijke stad slokte me op. De klok sloeg vijf. Ik tuurde om me heen in de langzaam dissolverende schemering. De straatlantaarns gaven er met een zucht van verlichting de brui aan. Uit een geopend raam ergens boven me zweefden de vermoeide stemmen van geliefden die nu eindelijk in slaap zouden vallen. In het voorportaal van een "Gentlemen's Club" die druk bezig was te sluiten, stond een stripteuse zich aan te kleden. Wat er zo gentleman is aan op strippers geilen is me nooit geheel duidelijk geweest, maar het zal vast aan mij liggen. Verderop stroomde een nachtclub van enigszins jonger, doch netter allooi eveneens leeg. Ik zeg netter, maar daarbij negeer ik natuurlijk dat menigeen de die nacht verzamelde maaginhoud aan drank en drugs vrolijk het trottoir over liet spetteren. Zorgvuldig om deze zure kunstwerken heen manoeuvrerend vervolgde ik mijn onvoorzienbare dwaalweg.
Doorheen alle pleziervogels laveerden ook al te vroeg opgeroepen arbeiders, humeurig over hun fietsstuur gebogen of zo mogelijk nog humeuriger voor zich uitstarend aan de bus- en tramhalte, zorgvuldig de blikken van alle lotgenoten vermijdend. Ik trachtte wel enige malen oogcontact te bekomen teneinde deze bezwaarde zielen opbeurend te kunnen toeknikken, maar stuk voor stuk staarden ze stug langs me heen. Dus posteerde ik me enige meters voor hen, midden op straat, en liet mijn broek dertig centimeter dalen. Of ik hun aandacht heb gevangen zal ik nooit weten, want op dat moment kwam er een postbode aangefietst, in mij een angst teweegbrengend die mij ertoe noopte gauw mijn brievenbus te verbergen. Ik bedoel, er pulkte een 3 Suisses catalogus uit zijn brieventas. Ik kan toffere dingen bedenken om aan mijn eind te komen. Onopvallend poogde ik weg te komen. Helaas floot ik ontzettend vals, wat me menig verstoorde blik van plots opgedoken muziekpuristen opleverde. Gelukkig begonnen de etalages hun spiegelkwaliteit algauw te verliezen in de gouden mond van de ontluikende dag. Desondanks liet ik het amelodieuze deuntje maar achterwege.
Ik was bij de kapper, voorbijgangers wierpen steelse blikken op me. Ik maakte geen obscene gebaren naar hen. Knap, nietwaar? Ik greep naar de telefoon, maar ik had huis noch vrouw om naar te bellen, dus gilde er ook niemand, wat me dan ook wel weer meeviel. Zuchtend verliet ik de barbierszaak. Om me heen starend kon ik niet anders concluderen dan dat ik op de helft van mijn leven verdwaald was in de jungle.
Het is vijf uur. Ik ben niet moe.

2 opmerkingen:

Anoniem zei

:)

Ru zei

'Oh Lord, oh Lord, oh my Lord ...'

Ik begin het door te hebben