maandag 26 december 2011

Tevens in het Latijn

Farai un vers de dreit nien
Ik schrijf een lied zonder zin, want ongetwijfeld, onbesuisd, geloof jij nog wel in liefde. Verre zij het van jou Aragon te lezen; Brassens te beluisteren.
Jij wie, zinloos omdat de wereld je eenvoud is. Omdat wat ik schrijf voor jou onverkort een doordruk van de wereld is. Een op een, als schreef ik je nu vrij van mystificatie aan, als verstak ik me niet wederom in poëtische plooien. Buiten kijf geloof je vanzelfsprekend dat je betroffen wordt you're so vain.
Fait ai lo vers no sai de cui
Ik schrijf dit lied voor ik weet niet wie. Niet omdat je de kassa doet rinkelen of me cheques bezorgt, waarop ik je naam vergeet. (Nee, inderdaad) Niet omdat ik te bang ben je bij naam te noemen. (Maar wel minstens te voorzichtig) Niet omdat ik niemand te bezingen heb. (Al is het niet elke dag dezelfde. Bizar hoe je haar jezelf aantrekkelijker maken kan. Bizar dat ze mooier wordt op loutere basis van jouw perceptie van de aandacht die ze je geeft. Zo rol je verder van de ene verlichting in de andere verwarming en als de slinger van een staande klok tik je weerszijden brutaal voorzichtig aan) Niet omdat ik zulk een groot dichter ben. (Bij momenten stem ik mezelf niet ontevreden) Ik weet niet wie; ook ik is een ander, hoe zou een ander me ooit wie ook wezen.
Je congnois tout, fors que moi mesmes.
Ik ben een tafel, ik ben een eenhoorn (niet waar) ik ben niet geen paradox (integendeel nochtans), mag ik me in slaap laten sussen door de heilige matrimonie van vinger en trekker sweet nothings for the numb. Tau heeft dit mes in mijn hand gelegd.
Je suy cellui au cueur vestu de noir
Karel en Frank hebben een konijnensprong van mijn schouders genomen, nu zijn de enige gidsen die ik had uitgesmeerd op cement. Daden schreeuwen wat woorden hoogstens kunnen fluisteren. Alsnog ontvliedt ieder elk verstaan. Door het hennepvenster blik ik leeg om me heen, doogemoedereerd, oedipaal onbevangen van enige angst voor die wurgende cycloop.
Plus ne suis ce que j'ai esté
Kan je me ook vergeven voor mijn macabere dans, dit bal van geraamten waar ik je tevens in meegesleept heb? Dat ik je eveneens zo ruw heb omgekeerd?
Hypocrite lecteur, - mon semblable,- ma soeur!

maandag 5 december 2011

Coupure

Nacht en ontij. Het mist slobberige slierten aan Silsburg. De laatste 24 dendert weg, hongerig naar haar stelplaats. Kermend sta ik op van de sporen. Nog een geluk dat mijn minder sympathieke overvaller me achter de tram heeft gemept. Ik sla op mijn broekzakken en kerm wederom: alles is weg.
"Vooral blijven kreunen. Wie weet raak ik nog wel opgewonden." Ik maak een kleine schrikbeweging. Ik kan de drums horen. Crescendo treedt een Deurnse deerne door de nevelflarden op me toe. Dat neem ik dan tenminste maar aan op basis van de stem. De mens die ertoe behoort blijft vooralsnog onherkenbaar in de donkere erwtensoep. Het helpt niet dat ik mijn bril kwijt ben. Nu pas besef ik dat mijn linkeroog bovendien dienst weigert. "Zo. Ze hebben je stevig te stekken gehad." Haar vingers beroeren voorzichtig mijn bloedende oog. Ik hef mijn arm om haar hand af te weren, maar ze staat kennelijk dichter dan ik in mijn getroebleerde visie vermoed, want onderweg strijk ik langs allerhande warme lichaamsdelen. "Kom maar mee, ik woon hier vlakbij." Ze negeert de abusievelijke intimiteit die ik zo ongewenst op haar losliet.
"Wat moet jij hier?" Haar stem is plots hard en scherp. Onbegrijpend kijk ik rond. Ik hoop maar dat ze geen MPS heeft, nu plots benomen van een persoonlijkheid die wat er nog van me rest in elkaar wil trimmen. Gelukkig heeft ze het niet tegen mij, maar tegen een donkere vlek voor haar voeten, die - naar ik meen - een hond zou kunnen wezen. Zonder veel omhaal schopt ze het beest opzij. Kajietend - ja, absoluut een hond - zeilt het over de straat en belandt op de voorruit van een toevallig passerende camionette. Ik lach, maar noch mijn ribben, noch mijn buikspieren weten dat zeer te appreciëren.
Mijn gids - onwillekeurig noem ik haar in stilte Nathalie, hoewel het hier weinig van Moskou heeft - neemt me bij de arm en leidt me door de verraderlijke straten van Deurne. Ze zijn vergeven van reuzen en draken. Tot ons fortuin zijn de eersten echter stoethaspels en de tweeden voornamelijk gebrand op frieten. Alleen daarom weten we levend haar voordeur te bereiken. Bij het binnen gaan schat ik de deuropening verkeerd en en klap ik stevig met mijn schouder tegen de deurpost. Ze lacht me even uit en aait dan troostend over mijn haar. (Ik haat het als mensen aan mijn haar komen, waarom laat ik haar aan mijn haar komen?) Met zachte dwang zet ze me op een kruk. Op geen tijd heeft ze watten en allerlei geheimzinnige flesjes tevoorschijn getoverd. Ik kijk wantrouwig naar de medicinale constellatie die zo dreigend sluimert in mijn ooghoeken. Ik sper mijn neusvleugels, als een prooidier op zijn hoede. Desondanks weet ze me voor ik pap kan zeggen uit mijn hemd te lichten. Ik wil protesteren, maar zodra ik mijn mond open trek, propt ze die vol watten. Ik pluk mijn mond weer leeg en wil opnieuw wat zeggen, maar bedenk me wanneer ik de watten weer mondwaarts zie trekken. Ze staart me uitdagend in de ogen. Ik wil wel defiant terug kijken, maar mijn nog steeds troebele zicht herinnert me eraan dat ik er gewis vooral een beetje zielig uit zie en dus bind ik bokkig in. Onverstoord begint ze mijn wonden te verzorgen.
Eens het bloed uit mijn oog is, zie ik wel weer wat. Het is nog niet zoals voorheen, maar ik kan toch al weer grosso modo de juiste diepte inschatten. Ik kijk naar haar handen die de schaafwonden op mijn ribben zijn aan het deppen. Ze heeft plots stilgehouden. Ik probeer haar blik te vangen, maar ze is gefocust op iets achter mij. Er loopt een rilling over mijn rug. Langzaam draai ik me om, nog steeds zittend. Een rijzige, grijze man staat op de drempel tussen gang en salon. Hij is in kostuum, hoewel zijn ogen verraden dat hij sliep. In zijn linkerhand schittert een degen. Ik kijk terug naar mijn verpleegster. Er moet toch een vader-dochter relatie zijn tussen hen? Ze knikt. Kan ze dan niets tegen hem zeggen. Ze schudt zuinig haar hoofd. Waarom ze kennelijk mijn gedachten kan lezen schuif ik even opzij als minder prangende kwestie. Momenteel dreig ik een saté te worden en dat gevaar zou ik graag afwenden. Stap voor dreigende stap nadert de man, waarbij de degen langzaam rijst. De living dreunt bij elke tred, bange meubelen klimmen de muren op om zo ver mogelijk bij de wraakengel vandaan te zijn. De degen komt tot rust tegen mijn strottenhoofd. Het koude metaal geeft een merkwaardig kalmerend gevoel. Op het strenge gelaat breekt een glimlach door. Een korte flits en er staat een enorme jaap op mijn borst. Dat is ook een manier om de schaafwonden te verbergen natuurlijk. Ik heb me nog steeds niet verroerd, al heb ik het nare gevoel elk moment van mijn stokje te kunnen gaan. Dan legt de man de degen neer, doet zijn vest en zijn hemd uit en scheurt dat laatste aan repen. Die geeft hij aan zijn dochter, waarna hij zich terug bewapent, het raam opent en naar buiten springt op de uitdaging van een brutale draak die zijn tuinkabouter heeft vertrapt. Terwijl ik me nog zit af te vragen wat er gebeurd is ben ik al omzwachteld met hemd. Ik richt mijn ogen weer op mijn weldoenster. Ze legt glimlachend een vinger op mijn lippen. Ik voel dat de slaap de nieuwsgierigheid inhaalt. Mijn oogleden worden zwaar en ik tuimel voorover in haar armen. Haar zilveren armbanden drukken in mijn torso, maar ik slaap zoetjes in.
De ongerijmdheden blijven eerbiedig buiten.

Schik

De mens bezit de merkwaardige capaciteit en neiging om verantwoordelijkheid van zich af te wentelen. De een noemt het demonen, de ander neuronen, maar niemand wenst zelf iets te hebben gedaan. Mijn ouders, mijn vrienden, mijn minderwaardig DNA; de maatschappij, de politiek, de crisis en de banken. Maar niet ik, ik onder geen beding.
À la limite die vlek die vrijpostig mijn voeten volgt, dit ultieme idool, het spiegelbeeld van mijn schaduw, deze vlerk. Het is de overmanning, het lichaam - driftig en van controle verstoken - de huilbui en de schaterlach, maar niets van dit ben ik.

maandag 14 november 2011

Menagerie (1)

Als je alsjeblieft even eenvoudig je hals naakt op het hakblok leggen wilde. Als je alsjeblieft met zachtheid je haar omhoog zou leggen. Als je alsjeblieft kon terugslaan, dat kanten colletje rond je nek. Als je alsjeblieft hier een knieval maakte.

Had ik nog een laatste wens? Mijn handen op mijn rug gebonden. Had ik nog slechts een wens? De beulskap boven mij. Een galgenmaal, een sigaret, een doekje voor de ogen? Het mocht me vergenoegen, dat je je naast me zet.

De zon priemt door de tralies, streelt onze gezichten, kietelt ons liefelijk wakker. Je werpt de juten zak die ons tot deken dient opzij en staat op van onze krakkemikkige brits. Gulzig dwalen mijn ogen over je naakte lichaam. Bedaard begin je je aan te kleden: je onderbroek glijdt opwaarts over je glimmende benen, je bh klemt zich om je borsten. Heel even boet je aan sierlijkheid in, terwijl je je kleedje optrekt. Dit bewijs van je menselijkheid tovert me een gelukzalige glimlach op het gezicht. Je knielt bij me neer, opdat ik de knoopjes op de rug van je jurk kan sluiten. Je ontwijkt mijn snelle poging om een kus te stelen. Gratieus rijs je weer op, schrijd je naar de andere kant van de cel en keer je mijn kant op. Voetstappen galmen door de gang. Hopelijk was het een traan die ik zag glinsteren op je wang, alvorens sierlijk je gezicht door de beulskap wordt omwonden.

woensdag 2 november 2011

Arpeggiatura

Zorgvuldig trekt ze, met een strip van de pil als liniaal, een rood lijntje onder de titel die ze zojuist heeft neergepend. Met een roze fluostift markeert ze in haar syllabus elk woord dat een schijnbare relatie heeft tot de uiteenzetting van de docent.
Ik laat mijn ogen nog enkele rijen lager dwalen, naar de verre rechterzijde van de aula. Daar ontmoet ik in haar een andere dwalende geest, een scherpe tegenstelling met het zo geconcentreerde meisje vlak voor me. Ze zit met haar rug tegen de muur aan, eenzaam op haar rij, en neemt door haar wat te zware montuur ons allen in peinzende ogenschouw. Onbevreesd trotseer ik haar borende blik, ontsnap zo aan de stille massa die haar onderzoek ontwijkt. Een korte fractie aarzelen haar ogen, maar dan reizen ze me zonder verdere onderkenning voorbij.

Het gebeurt zonder duidelijke aanleiding of reden: beide jonge vrouwen veren abrupt overeind en stevenen nietsontziend op elkaar af. Met een ontiegelijke klap, in een tsunami van rijk chromatische vonken, dreunen ze opeen. Een ruig duel ontspint zich boven de hoofden van mijn geëffrayeerde medestudenten, die desperaat trachten weg te duiken onder hun klaptafeltjes. Die bieden slechts bijzonder gebrekkige bescherming, want bij elke klets die de drieste dames uitwisselen raken aulastoeltjes ontworteld en valt er bekleding van de barstende muren. Een pakje tabak van een onfortuinlijke student die op de verkeerde plaats stond komt in mijn handen gebuiteld. Bedaard rol ik een sigaret en wacht tot ik gezegend word met een passerende vonk om haar aan te steken. Verzaligd taffend slenter ik tussen de kempkippetjes door naar buiten. Het is alweer een fraaie nazomerdag. Een vogel met één poot staart me accriminerend aan. Ik flikker mijn sintelende peuk in het oog van de vuige aaseter. Na de eerste veraste pijn pikt het beestje dankbaar de smeulende kankerresten op.

Glimlachend duikt mijn meest bouleverserende muze naast mij op, waarbij ze me een nieuwe oltrip tussen de lippen klemt. Dankbaar om het excuus om geen gedoddel uit te hoeven stoten, vul ik mijn misnoegde longen wederom met weelderige rookwolken. Mijn verbijsterde gedachten stuiteren intussen van ongeloof over angst naar de noodzaak om iets zinnigs te zeggen, maar mijn tong legt zich in een gordiaanse knoop. Gelukkig word ik van mijn armida gered: ze wordt overreden door mijn mooie auto, bestuurd door mijn verward en bloedend hart.

Ik zijg neer op een anoniem terras. Je wacht me op met een trappist en een glas water. Dan praten we en niemand hoeft zich meer of min te voelen, want wij zijn even dwaas, even zwak, even onzeker en beschadigd. Maar we hebben gelukkig nood aan elkaar.

zaterdag 8 oktober 2011

In bewaring

Gruwzaam. Heeft ooit een onheilspellender woord de muur van een verlaten bank gesierd? Het is louter nieuwsgierigheid die me hierheen heeft gedreven, enkel onschuldige onderzoeksdrift. Binnen raken was een fluitje van een cent geweest, het slot was al eens geforceerd. De deur leek nog wel dicht te zijn, maar als je net genoeg macht zet sta je hier net zo gauw binnen alsof het kantoor nog steeds in gebruik is.

De nachtelijke, tamelijk verkeersluwe Leien liggen achter me. Een eenzaam paar koplampen verlicht even de ruimte. De haastige letters glinsteren rood op. Mijn instincten zijn al lang en breed naar buiten gevlucht en een Hopus gaan drinken op de Stadswaag, maar mijn koppige dwaasheid houdt me stevig ter plekke. Mijn fascinatie beroert de lege plekken waar ooit automaten stonden, de metalen hengsels van de ooit nog glazen deur die uitgeeft op het daadwerkelijke kantoor en tenslotte weer het woord. Gruwzaam. Het klinkt als een geschikt woord voor kindermoord. Infanticide. Het klinkt minder erg als je er zo een medicijnennaam op plakt.
Tussen vrees en overmoed zet ik stapje voor stapje verder het desolate gebouw in. Ik weet dat ik doodstil wandel, maar het klinkt alsof elke spierspanning tegen het plafond weergalmt. Ik adem bruusk in door mijn nochtans niet geheel vrije neus. Het plotse, echte lawaai is bijna bevrijdend, maar het onderstreept ook nog maar eens het horrorsfeertje.
Sommige tegels zijn gebarsten. Ik tracht ze zorgvuldig te omzeilen om het geluid te beperken, maar bij de trap liggen ze er allemaal zo bij. Ik staar de donkere kelder in. De kluizen zullen er nog wel staan. Leeg, natuurlijk. Waarschijnlijk lijken ze gewoon op lockers in het zwembad. Niets aan dus, wat zou ik er te zoeken hebben? Halverwege de redenering sta ik al beneden. Ik zie geen hand meer voor ogen. Ik haal mijn fietslichtje uit mijn broekzak en houd het voor me uit. Lockers. Geen dikke kluisdeuren à la Ocean's Eleven. Zelfs geen kluizen ter grootte van Asterix in Helvetia. Gewoon lockers zoals op de middelbare school, voor degenen die te lam waren om hun boeken mee naar huis te nemen, wat uiteindelijk toch altijd alsnog moest, want hoe kon je anders je huiswerk maken?
Het licht heeft hen wakker gemaakt. Twee figuren kruipen moeizaam overeind. Mijn hart gaat prompt als een razende tekeer, het bloed gonst in mijn oren. Ze glimlachen. Of ze grijnzen een doodsgrijns, daar lijkt het eerder naar. Het lampje valt uit mijn trillende handen. Met een klap keert het duister weer. Vier handen grijpen me vast, duwen me tegen de kluizen aan, klauwen naar mijn kleren. Ik spartel om los te komen, maar mijn worsteling blijft mat en verstoken van resultaat. De vingers die over mijn vel schuren zijn warm en fijn. Ik had ze koud en glibberig verwacht. Ze trekken mijn hemd kapot en dan zie ik even mijn kans schoon. Ik draai weg uit hun greep, maar bots dan tegen de volgende muur aan. Met de knal gaat plotseling een groenig tl-licht verontschuldigend flikkeren. De kluizen schuiven open: lijk na lijk springt overeind. De bank is een mortuarium. Ik herken verdrongen, verwrongen gezichten uit lang vervlogen puberjaren. Twee vrouwen weerhouden de dodengolf ervan me te verzwelgen.

Uit de massa stapt er een naar voren. Het lijkt exact mijn spiegelbeeld, maar terwijl hij nadert verandert hij. Zij. Ik staar recht in de ogen van mezelf als vrouw. Aan haar hand wandelt mijn kindertijd. De doden blijven in een halve cirkel rondom ons staan. Mijn twee eerste belagers zijn bovenop de kluizen gaan zitten, als twee gieren die de Heer danken voor het feestmaal dat ze staan te ontvangen. Ik open mijn armen naar het blonde ventje dat ik was. Hij heeft een mes. Zijn ogen boren zich in de mijne. Dan legt hij zich het mes op de keel en dooft met een tergend langzame snee het blauwe licht in zijn ogen.
Bloed op mijn lippen. Louter nieuwsgierigheid.

vrijdag 7 oktober 2011

Nochtans

Nog steeds vreet dagelijks aan me, je aan- je afwezigheid en elke glinsterende glimlach. Van witte flarden fladderende stof en zenuwachtig overslaande stem, van peilloze diepten glimlachend reeënverdriet en zachtmoedig uitdraaiende handen kan mijn immer inquisitieve introspectie zich niet ontdoen. Nog steeds raak ik onder de indruk van je eenvoudige erkenning van mijn bestaan. Nog steeds ben ik er niet van doordrongen dat dit niet de tijd is om aan je te denken, ongeacht hoe klein de misdaad is. Wijzende vingers, glurende blikken en andere spitsroeden schijnen immer nog redelijke prijzen, vooral nu hun betaling nog niet geheven wordt.

Net wanneer je ertoe komt haar te vertellen dat je haar geen liefde te geven hebt, laat ze de rivier antwoorden dat je altijd haar geliefde bent geweest. Dan is de tijd gekomen om te verdrinken. Het zal de laatste keer niet zijn dat je zelfmoord pleegt.

Op vijfentwintig ben je nauwelijks serieuzer dan op zestien. Het ligt vast aan die kwadraten.

Trix Zaal

De ombouw tussen support en headliner duurde je duidelijk te lang. Onaangename hoeveelheden mensen drummen om je heen, elkaar verdringend in de speurtocht naar een plaatsje vanwaar het podium fatsoenlijk zichtbaar is. Alleen de gedachte aan de komende muziek heeft je overeind gehouden. Nu dan rijkelijk laat diepe klanken de ruimte vullen, ben je die irritante medemens bijna weer vergeten. Enkel het pubermeisje dat, vergezeld van haar moeder op het laatste moment nog voor je kwam staan in je dierbare ademruimte weet je nogmaals te irriteren door zodra de zaallichten gedimd zijn te beginnen smsen om op te scheppen tegen de hemel mag weten wie. Je kraakt je rechterhand, alsof je haar wil slaan. Niet dat ik verwacht dat je nu plotseling een opvliegende gek zal blijken, maar slechter over je karakter geïnformeerde omstanders zouden zich wel eens ongerust kunnen maken.

Misschien moet je maar profeet worden. Nog geen dag voor het concert liet je me weten dat het werkelijk stoer zou zijn mocht er een cover van Perfect Day worden gespeeld. En daar hadden we het, als bisnummer. Wat haastig afgehaspeld, maar je hebt breed gegrijnsd en genoten. Vervolgens ben je razendsnel verdwenen. Er was niemand die je kende op het concert. Buiten ik, maar mijn inhaalmanoeuvre nadat je weg stoof op de fiets vermocht niet succesvol te zijn. Ben je ook langs de file vanwege de politiecontrole gepasseerd?


T.

maandag 4 april 2011

Ruik een vrouw of ruik haar niet, je zal het betreuren

Haar ogen versomberen prompt. De verwachting en vreugde die me zo-even nog aanstraalden vanuit haar gloedvolle gezicht, vlieden gauw heen naar een donker hoekje. Het kleedje dat net zo nauw aansloot, flappert nu om haar verschrompelde lichaam. Haar onderlip sluipt geniepig naar voren en begint te beven. Een plethora aan emoties vecht om voorrang in de taal van haar lichaam. Ongemakkelijk wrijf ik me in de handen. Het is nu vast niet het meest uitgelezen moment om haar een troostende arm aan te bieden. Met een laatste restje waardige fierheid recht ze haar rug, keert zich om en beent weg. Haar stoere tred vermag echter niet de schokkende schouders te verhullen, noch de nagels die zich diep in haar handpalmen begraven. Een tikje verbouwereerd blijf ik ter plekke. Een vage tristesse overvalt me onverhoeds en in een dwaze opwelling wringt haar naam zich door mijn keel. Een verstandige rem ergens in mijn voorhoofd doet de klank echter versterven op mijn droge lippen. Ik lik ze weer vochtig, als om het geluid dat me bijna ontkwam te heroveren op de wijde wereld. Ik heb vandaag al weer voldoende schade aangericht.
Een combi komt naast me tot stilstand. Een zwaarbesnorde wetshandhaver hangt uit het raam, waardoor de deur van het busje vervaarlijk naar buiten buigt. “Je leurderskaart.” Ik knipper met mijn ogen, schud mijn hoofd en staar hem van begrip verstoken aan. Heb ik hem juist verstaan? Ik verkoop hoegenaamd niets, heb mezelf ook al niet op het bespelen van een muziekinstrument weten te betrappen. Ik heb niet eens lopen fluiten of neuriën, laat staan zingen vergezeld van bedelpetje. “Vooruit, je leurderskaart en gauw een beetje.” Hulpeloos haal ik mijn schouders op, in de ijdele hoop hem daarmee duidelijk te maken dat hij ongetwijfeld de verkeerde voor heeft, dat er geen zinnige reden is waarom hij een leurderskaart zou mogen verwachten van mij. Kennelijk komt de boodschap maar in zoverre over dat hij vat dat ik de licentie waar hij een blik op wenst te werpen ontbeer. Hij stapt uit. Ik zend een smekende blik over zijn schouder, gericht aan de Marrokaanse die aan het stuur zit, maar die kijkt strak vooruit, met een verbeten trek om haar lippen. De schuifdeur van de combi rommelt ook open en daar stapt een kerel uit van het type dat je eerder in de spionkop van Beerschot zou plaatsen dan bij de politie. Misschien deelt hij bij rellen gewoon klappen aan iedereen uit. “Zo zo. Dus wij geloven dat we zomaar mooie meisjes mogen teleurstellen, zonder een leurdersvergunning te hebben.” Even blik ik onthutst van de een naar de ander, maar dan wordt alles me klaar. Ik leg mijn hoofd in mijn nek en schal een wolfachtige schaterlach. Snorremans loopt rood aan en de hooligan begint verwoed zijn matrak te polijsten. In zijn ogen glimt een moordzuchtig roofdier, een gruwelijk monster dat zich voedt met verkrachtingen. De beide heren hebben kennelijk de indruk dat ik fameus met hun voeten ben aan het rammelen, een waarlijk amusante bezigheid waaraan ik me dan ook prompt overgeef. Van hun onvermijdelijke verlies aan pedestrische stabiliteit tengevolge mijn kinderlijk rammelaarsplezier profiteer ik om de benen te nemen. Beide wetsarmen liggen nu machteloos ter aarde. Ik neig een spottend knixje in hun richting. “Dierbare mannenbroeders, het was mij aangenaam vertoeven in jullie voortreffelijk gezelschap, doch ik zal nu weer mijns weegs keren. Jullie ledematen zal ik in verzekerde bewaring geven. Bij een heler, of zo. Het is vermoedelijk een hele rompslomp voor jullie om nieuwe benen aan te vragen, er zijn vast wachtlijsten en dergelijke. Omdat ik de kwaadste niet ben laat ik jullie je romp. Dan heb je alleen de slomp nog te verteren.”
Mijn kleine aanvaring met de machthebber heeft mijn humeur wat opgekrikt en me voorzien van maritieme verplaatsingsmogelijkheden. Onder het fluiten van ruwe zeemansdeuntjes kano ik de Meir op. Die is door conjuncturele golven onherkenbaar herschapen tot een brede stroom, tot algemene wanhoop van de kledingbranche, maar tot groot jolijt van de kajakverkopers, die er natuurlijk bij bosjes zijn op winkelstraten middenin het centrum. Sarrend wuif ik naar Hennes en Mauritz, die wanhopig hozen om hun winkels van al te veel water te vrijwaren, wat een tamelijk nutteloze klus blijkt, getuige de buikhoogte die het peil al heeft weten te bereiken. Aangezien ik met veel plezier wraak wil nemen voor alle ongemakkelijke uren die ik in verscheidene van hun pashokjes heb moeten doorbrengen besluit ik wat door de winkel te gaan peddelen. Op een wat woester conjunctuurtsunami’tje manoeuvreer ik mijn vaartuig tussen hun graaiende handen door. Even verderop kom ik echter ruw tot stilstand, verstrikt in de netkousen van een winkeldame die verdacht veel weg heeft van de stuurse combichauffeur van zopas. Als je je natuurlijk waagt aan seksisme als manoeuvres hoeft het niet te verrassen dat de gemiddelde vrouw je vlot doorziet. Om deze blunder ten aanzien van de dame teniet te doen hup ik uit mijn bootje, neem haar vast bij de hand (doe een stap vooruit) en vraag naar haar oeuvre. Overdonderd door zoveel plotse aandacht weet ze enkel rood te worden en onsamenhangend te stamelen. Vanuit mijn ooghoeken zie ik nog werkneemsters naderen, met de kennelijke intentie me een goed pak te verkopen – te weten slaag. Aangezien ik sowieso weinig op heb met kostuums, lijkt de meppende variant me helemaal niks. Ik kus de hand van de ondertussen weer wat bij haar positieven gekomen eerste vrouw, verlaat haar met spijt in het hart en crawl richting roltrap. De kudde woeste sirenen blijkt echter over betere zwemcapaciteiten te beschikken dan ik, wat op zich nog geen compliment is. Eentje krijgt mijn linkerschoen te pakken, een ander mijn rechterbroekspijp. De reddende trap blijkt niet dichtbij genoeg voor die kledingstukken, maar voor de rest weet ik heelhuids naar de eerste verdieping te snellen. Die verschroeiende demarrage noopt mijn kortstondige achtervolgers de rol te lossen en de jacht wordt gestaakt. Langs het gelijkvloers terug naar buiten blijkt duidelijk geen optie. Dan maar door het raam springen. De kolkende conjunctuur heeft de voorheen verzadigd kabbelende Meir gemetamorfoseerd tot een woeste stroomversnelling die zich tot doel heeft gesteld de Boerentoren neer te beuken. Terwijl ik bloedend wordt meegesleurd, bedenk ik me verontwaardigd dat in films nooit wordt verteld hoe pijnlijk het is om door een raam te springen. Al snel besef ik dat mijn situatie nu echter te precair is om veel klachten te uiten over het gebrek aan realiteitszin van het witte doek. Ik zal straks opnieuw kennis maken met het genadeloze glas als ik niet snel uit dit razende water raak. Wanhopig klem ik me vast aan een fietsenrek, maar dat blijkt Marco Borsato te zijn die al even comfortabel wordt meegesleept als ik. Ik laat hem maar weer los en probeer dichter naar de gebouwen te zwemmen, maar ondanks de afstand van nauwelijks anderhalve meter blijkt dat geen sinecure.
Net als ik gelaten op de klap wil gaan wachten, wordt me een reddingsboei toegeworpen. Het lukt me maar nipt die te grijpen, maar dan wordt ik snel een dak op gehesen. Mijn redders blijken de agente en haar winkeldame-evenbeeld te zijn. Hoe ze zo snel op dat dak zijn geraakt verklaren ze niet. Ik besluit me er het hoofd niet over te breken, vooral omdat ik het vermoeden heb dat dat zelf al heeft besloten te barsten sinds mijn ondoordachte glasduik. Mijn beschermengelen slepen me mee over de daken, springen moeiteloos over een straat en klauteren met mij tussen hen in naar beneden aan Kipdorp. Daar laten ze mij zonder verdere uitleg weer achter. Het water reikt wel tot hier, maar het is weinig meer dan een verfrissend stroompje. Moeizaam kijk ik op. Vlak voor mijn ogen priemt de laatste paardenbloem tussen de straatstenen uit. Voor Karel en Frank kunnen verschijnen grijp ik de plant vast, trek haar uit en slik haar in één keer door. Helaas! Furieuze kreten ergens boven me vertellen me dat ik seconden te laat was. Gelukkig heeft het paardenmiddel me wel weer van enige kracht voorzien. Dat zal me van pas komen om te ontkomen aan de twee pisbloemfans die me nu rabiaat zullen achtervolgen tot ze me tot pulp kunnen stampen. Ik spring overeind en zet het op een lopen. De furie van de stemmen slaat om in verrassing en dan weer in withete woede. Zo te horen lopen ze sneller dan ik. Ik spring achterop bij een voorbijrijdende fietser, die me glimlachend aankijkt en dan stevig aanzet, zodat de briesende razernij ons nog onmogelijk kan inhalen. Ik kijk nog eens goed naar de fietser en grijns. “Wel, wel, nu zit ik bij jou achterop de fiets, Marco. Zal ik mijn hoofd tegen je rug drukken en mijn armen om je heen slaan?” Marco blijkt niet zo opgezet met die opmerking, dus rijden we naar een taxidermist. Dan is dat ook weer opgelost. Terwijl de taxidermist aan de slag gaat, besluit ik dat het dringend tijd wordt om wat vrolijks te gaan doen. In de hoop dat Karel en Frank daar ondertussen al niet meer in de buurt zijn, keer ik terug richting universiteit. Het is prachtig weer, half Antwerpen staat onder water, onverklaarbare beschermengelen springen van dak naar dak, maar de colleges gaan onverstoorbaar voort. Een bewering die ik nu meteen even empirisch wil gaan staven. Ik diep mijn onverwoestbare gsm op uit mijn zak – een oud model, van toen ze nog werden gemaakt om lang mee te gaan. Ik bel mijn goede vrienden van het onverzuipbare orkestje van de Titanic. Onder de zwoele tonen van hun tango barsten de universiteitsmuren uit hun gevoeglijkheden. Ik dartel van hand naar hand, terwijl twee beschermengelen als waterspuwers goedkeurend toekijken.

dinsdag 29 maart 2011

Vergeelde noodkreet

Ik heb nog nooit iemand verteld van mijn sluipend vermoeden, mijn verdenkingen aan het adres van mijn ouders, mijn geloof in hun slinkse plan. Ik ben er echter van overtuigd dat ze het willens en wetens ten uitvoer hebben gebracht in mijn rigide opvoeding, o miserabele ik. Waarschijnlijk ligt het in de eerste plaats aan mijn vader, die het uit louter nieuwsgierigheid moet hebben gedaan. Zo is hij wel. Het zal hem misschien wel wat tijd gekost hebben om mijn moeder om te praten, maar nu ook weer niet zoveel. Zij is net zo min vrij te pleiten als hij.
Sta me toe, onbereikbare vinder van dit vodje, u mijn onfortuinlijke toestand te schetsen alvorens ik iets onverstandigs doe.

Ik ben enig kind. Naar het schijnt zijn enige kinderen rotverwend. Over een gebrek aan aandacht heb ik inderdaad niet bepaald te klagen, helaas. Die aandacht was jammer genoeg van nogal protectieve aard: ik ben steeds volkomen afgeschermd van de wereld. Ik heb thuisonderwijs gekregen tot dit jaar. Nu zit ik sinds een drietal maanden op de universiteit en is de wereld met verwoestend geweld over mijn angstige ogen gestort. Maar laat ik niet al te gauw naar het nu willen reiken. Ik heb namelijk ook een zeer gecensureerde opvoeding gehad. Het zal u gauw genoeg duidelijk worden wat mijn droefenis is, wanneer ik vertel wat mijn ouders zorgvuldig bij me hebben weg gehouden. Ik heb geen enkel boek mogen lezen, geen film mogen zien, nog geen magazine, waarin vrouwen die een rok droegen positief of aantrekkelijk werden weergegeven. Mijn moeder heeft ook nooit ofte nimmer een rok gedragen. Nochtans ben ik er ten zeerste van overtuigd dat mijn vader rokken mooi vindt bij vrouwen. De gevolgen van deze wrede indoctrinatie laten zich vlot raden. Ik ben me er zelf natuurlijk nooit van bewust geweest. Ik beschouwde de rok eenvoudigweg als een onhandig attribuut, iets voor heksen, die sowieso niet bekend staan om hun smaakvolle, praktische kleding. Groot was mijn verbazing toen ik voor het eerst de voordeur van ons huis verliet: lang niet alle vrouwen droegen rokken, maar zeker een veel te substantieel gedeelte om allemaal heksen te kunnen zijn. Even overwoog ik de mogelijkheid dat het een soort van ouderwetse gril was, iets wat generaties voor ons om onduidelijke redenen nog deden, maar waarvan mijn progressieve ouders mij gelukkig hadden weten af te schermen. Ik moest die mening wel herzien toen ik op de universiteit aankwam: ook hier lopen een heleboel meisjes rond die rokken dragen.
Ik besef nu wel dat het aan mij ligt, maar ik kan met geen mogelijkheid begrijpen wat ze in zo een vod zien . Evenmin kan ik zelfs maar beginnen te vatten waarom mannen vrouwen aantrekkelijker vinden in rokken of kleedjes. Ik heb met enige voorzichtigheid een aantal anderen uitgehoord en zelfs degenen die liefst vrouwen met broeken zien - ze zijn sowieso al behoorlijk in de minderheid - onderkennen een soort enorme aantrekkingskracht van die kledingstukken. Ik verkeer dus in de rampspoedige toestand grosso modo de enige man in het kosmologische bestel te zijn die vrouwen in rokken welhaast weerzinwekkend vind.
En als er dan eindelijk eens een sportief type is, of een meisje dat gewoon graag makkelijke jeansbroeken draagt, dan blijken ze stuk voor stuk bij gelegenheden toch onweerstaanbaar aangetrokken te zijn tot allerhande kleden.
Bespeurt u mijn getergde onrust? Eet dit briefje op, sta mijn ongeluk toe verzwolgen te worden, lang, zeer lang nadat mij hetzelfde gebeurd is.

maandag 28 maart 2011

Ring rond Brussel

Komisch dat we net naast elkaar zijn terechtgekomen in de vrolijke vrijdagavondspits. Ik zat trouwens net nog aan je te denken. Je lijkt namelijk al heel de week in een niet aflatende bipolaire lus te zitten: het ene moment dartel je uitgelaten door de lentegloed, het volgende moment lijk je alweer het gewicht van de schuld van vijf generaties wereldbevolking mee te slepen.
Ik vraag me af in welke fase je nu zit. Je houdt niet van auto's, zeker niet als ze zo stampvol zitten als dit exemplaar, waar jij zo te zien met een schoenlepel bent ingewrongen. Lig je daarom dan maar te slapen? Helaas ben je je daarom ook volkomen niet bewust van mijn aanwezigheid. Nog zoiets, je negeert me wel vaker de laatste tijd. Weet je zeker dat je op nieuwe kansen wacht? Maak je niet eenvoudig gretig gebruik van elke mogelijkheid om me te ontlopen? Er kunnen nauwelijks blikken van af, je hand heffen in vriendelijke groet is al helemaal uit den boze. Zullen we ooit nog van aangezicht tot aangezicht van woorden wisselen. Ik mis je voortdurende dwaasheid, je scherpe sarcasme, je dolle associaties. Ik wil me niet slechts in verstorven woorden tot jou richten.

Je ziet er zo grandioos uit, vanachter in de auto, alsof je honderd oorlogen zou kunnen beginnen.
Zwaai! Zwaai dan naar me! Als je zwaait kan ik deze brief vernietigen.
Alsjeblieft, zwaai dan.

E.

vrijdag 25 maart 2011

Absolutie tussen kleine tekst en atheïstische stervensoverwegingen

Er is een deel van me dat je nooit zult kennen, ik zal het je nooit tonen. Angstvallig zal ik het verborgen houden voor je heerlijke, al te nieuwsgierig priemende ogen. Ook als ik nader, houd ik je van verre. Geen glimp wens ik je ervan te laten opvangen, vermoedens zullen je enige deel zijn. Dat het probeert te praten is evident, maar ik zal het bewaren waar het hoort als gekoesterde droom: in eeuwige slaap. Juist omdat ik.

Ik ben vrolijk en jij aantrekkelijk. Liefelijke vogeltjes fluiten een waltz. We zijn noodlottig op elkaar gebotst en je hangt al in mijn armen. We kunnen niet anders meer, nu moeten we wel dansen. Onze voeten dragen ons, wars van de verdwaasde blikken van grijze omstanders. Gelukkig weten we allebei toeten noch blazen van stijldansen. Misschien is het wel ons rekbare begrip van de waltz die ons op zoveel verraste aandacht komt te staan. Behendig slalommen we tussen drummende mensenmassa's en ronkende auto's door. Plots opduikende trappen richting Schelde vermogen ons niet van blijvende chorea te weerhouden. We dreigen keer op keer van de blauwe steen te tuimelen, maar ik zal je niet laten vallen.

Maar het moment komt nooit.

Et ben y en a encore

Loom staart hij naar het plafond. Hij hangt onderuit in de zetel, terwijl rondom hem het uitgestelde werk zich in almaar hogere, urgentere torens opstapelt. Verveeld knippert hij met zijn ogen. De lucht lijkt zwaar, bijna tastbaar. Geluiden van de broeierige stad die zijn beklemmende appartement omsingelt wringen zich vertraagd, verrekt doorheen die dempende stroop. Moeizaam ontvouwt hij zich uit zijn coconhouding. De overweldigende leegte weegt met het volle vermogen op zijn stijve schouders. Onuitgesproken woorden wentelen lispelend om zijn kloppende hoofd. Misnoegd slentert hij naar de frigo. Het licht ervan weigert dienst, wat het eigenaardige gevoel opwekt dat de ijskast überhaupt niet aangesloten is. De laatste slok ice tea die zich nog in deze armoedzaaierskluis verschool smaakt ook niet bevrijdend koel, maar eerder woestijnstoffig. Met een geeuw die halverwege zijn ribbenkast blijft hangen sleept hij zich terug naar de zetel. Vanuit de hoek van de kamer dromt de beschuldigende schermbeveiliging op hem toe. Roerloos hapert hij tussen computer en zetel. Dan, met een plotse, bruuske opstoot van energie, ploft hij in zijn bureaustoel en beroert de muis. Drie documenten dringen zich stante pede aan hem op. Zijn korte bevlieging van elan vloeit alweer weg, de moed sijpelt hem door de poriën. Zijn handen kruipen als onwillige slakken naar het klavier en slaan willekeurige toetsen aan. Volkomen lusteloos vult hij twee pagina's met lege tekens. Het geratel suist om zijn onfortuinlijke oren. Onder het slaken van een diepe zucht verwijdert hij het zinloze document. Hij draait zich weg van het bureau. De verstikkende muren zweten condens. Het bibberige plafond glibbert naderbij, wordt onderweg immer smaller. Ademen kost almaar meer kracht, de lucht lijkt vergeven van lood en vergif. De ramen krimpen ineen, het buitenlicht flikkert als een stervende tl-buis. Machteloos stort hij op zijn knieën, op zijn aangezicht, verschrompelt hij tot foetus. Hij heeft nog nooit zo veel sympathie gehad voor de rampzalige kat van Schrödinger.

donderdag 3 maart 2011

Carrefour Lange Lozanna

Ik zie je wel. Het elektrisch oog van de schuifdeur ziet je niet. Je hebt zojuist gevoelig ingekocht aan bier. Als er een heel rek bier is om naar te kijken, merk jij natuurlijk niets van de omgeving. Anders had je misschien gezien dat ik aan het einde van het gangpad naar je stond te kijken. Nu heb je je oortjes al weer in zitten. Je tred verraadt een goed humeur. Dat heb je al heel de dag, omdat de zon schijnt. Nochtans heb je gezwegen, heb je zinnen die je al vaak door je hoofd hebt laten malen daar onrustig laten zitten. Zelfs dat heeft je door de lente aangewakkerde vrolijke luim niet kapot gekregen. Je rekent vast op nieuwe kansen. Het ziet er naar uit dat die veelvuldig zullen zijn.
Heb je gegrijnsd toen je naar het bordje "Lange Lozannastraat" keek? Aan "lange hosanna" gedacht? Met een volksdanshuppelpasje spring je heen en weer tussen straat en trottoir. Een tiener op een fiets kijkt je wat bevreemd aan en proest het uit als je voorbij bent. Door de genadige zonnegloed op je gezicht ontgaat het je volkomen.
Je steekt de Mechelsesteenweg over, ik ga hier naar rechts. Jammer dat je het te druk hebt om samen met mij de pollen op te snuiven aan de Harmonie. We konden misschien zelfs naar het stadspark gaan, op dit uur is dat nog niet te raar.

We rekenen dus allebei op andere tijden, andere kansen. Morgen misschien weer?

T.

R 008, Stadscampus Universiteit Antwerpen

Het leek me het makkelijkst onze briefwisseling zo aan te vatten. Jij hebt op dit moment nog geen flauw idee dat we elkaar überhaupt gaan schrijven, maar ik reken er wel gewoon op. Ik zie niet in waarom je zou weigeren.

Zo, daarmee bedoel ik: terwijl ik je zie. Ik zit twee rijen hoger dan jou en bemerk je rusteloosheid. Je gaat onderuit hangen en weer recht zitten, je speurt het lokaal af naar alles en niets - misschien vooral naar iemand die terug kijkt. Dan kan je diens blik vangen en telkens het geheim spelletje staren winnen. Daarna maak je je vast ongerust dat je hen een beetje bang maakt, die andere staarders, of dat ze je op zijn minst een vreemde vogel gaan vinden. Dan kijk je weer even naar de docent en dan naar buiten. Uiteindelijk gaat je blik altijd weer naar buiten, bijna alsof je het hier niet leuk vindt. Een indruk die je daarnet nog versterkte, toen je een sudoku zat te maken. Die is ondertussen al lang en breed af. Nochtans weet ik dat je hier met plezier zit. Met dubbel plezier, zelfs, en af en toe een beetje wroeging.
Eigenlijk ben ik wel een tikje beledigd. Je hebt voor nagenoeg iedereen veel aandacht - en voor sommigen nog net iets meer - behalve voor mij. Mijn blik heb je nog geen seconde gevangen om een partijtje staren aan te gaan. Missen we elkaar telkens nipt? Ik heb nagenoeg voortdurend naar jou gekeken. Of toch zeker wel drie kwart van de tijd. Ik dacht toch wel dat ik genoeg voor je betekende om minstens één keer een spelletje staren te worden vergund.

E.

dinsdag 15 februari 2011

Beginselverklaring

Disclaimer: Aan deze tekst hebben geen journalisten meegewerkt.

De roman is failliet. Een al te moderne constructie, die wanhopig greep tracht te houden op exact de aalgladde werkelijkheid die ze thematiseert. Wij kunnen haar genieten, maar hebben haar stem niet langer van node. Er is geen langgerekte inkijk in rationeel, psychologisch gestructureerde levens meer. Nu hebben we nood aan personages die we nog maar net hebben ontmoet, wier beweegredenen we nauwelijks vatten, maar van wie de pijn en de vreugde ons toch in grote bewoordingen in het gezicht worden gesmeten. Net zo plots als hun verschijnen willen we hun verscheiden meemaken, hen desondanks voor eeuwig in ons insluitend. Niet het flauwste benul komt ons toe over hoe het hen verder vergaat. Slechts hun ene moment, die tel mag ons tekenen en diepe, diepe wonden slaan. Verklaar ons de onzekerheid niet, steun slechts de aarzel.

Het is wel komisch het meervoud te hanteren als was ik de stem van een literaire stroming of meer nog, een generatie. Daar praat ik echter lang noch luid genoeg voor.

Drie-eenheid en tabak

Meewarig staart hij naar de filmposter. Die is nogal dwaas, eigenlijk. Een jonge vrouw zit tussen twee jongens – broers, zowel in de film als in het echte leven – die elk een hand op één van haar benen hebben, waarbij hun armen elkaar kruisen. Een drievoudig snoer zoals het om problemen vraagt. Hij keert zich naar de andere twee. “Eigenlijk”, grijnst hij, “hebben we een soort morele verplichting om deze film te gaan zien en heel de tijd ook zo te zitten.”
Twee uur later vervloekt hij zichzelf.

Die vreemde macht die uitgaat van het wezen vrouw. Het lijkt nauwelijks eerlijk. De strijd is bij voorbaat gestreden. Een soortement eeuwigdurende Apocalyps. Het einde, eindeloos.

Rondom hen wordt er geschoten. Kanonnenvuur zorgt voor een voortdurende reeks explosies. Sommigen schrijven dan een traktaatje dat niemand begrijpt. Deze twee gaan gewoon op de vuist, wat niet veel begrijpelijker is.
De oermoeder dept vriendelijk hun wonden, aait hen liefdevol over de bol. Haar decolleté is diep. Ze grijnzen schaapachtig naar elkaar.

Er is iets oneerlijks aan arbiters. Het is moeilijk hen een klap te verkopen zonder dat ze het zelf gezien hebben of hen onaardige dingen over het beroep van hun moeders naar het hoofd te slingeren. Ze spelen als het ware nog een klasse hoger, een andere sport met een eigen competitie.

Ze hangen op de reling van het enorme schip. Een sigaar gaat van hand tot hand. Ze legt haar hoofd lachend in haar nek, ze vindt het leuk dat haar adem stinkt. De twee mannen kan het niet schelen, hun adem verraadt altijd sigaren. Met het invallen van de schemering is het schip al ver noordwaarts geraakt. De te snel dalende temperatuur is de stille bewijsvoering.
Onder het kapseizen spelen ze lustig voort. De gasten hebben betaald voor een luxecruise met live muziek, of dat nu is terwijl ze rustig aan whisky zitten te slurpen in de bar, of terwijl ze in opperste paniek proberen een plekje in een van de schaarse reddingsboten te bemachtigen. Ze zien haar tussen de mensenmassa glippen, wegdansen over het water. Ze zouden allebei durven zweren dat dolfijnen vrolijk om haar heen cirkelen, maar dat is niet zo, dus dat doen ze dan ook maar niet. Ze kan trouwens ook helemaal niet op het water lopen. Nu ook zij getweeën broederlijk natte voeten krijgen mag de muziek er rechtens mee uitscheiden en kunnen ze haar om ter gentlest bemannen in hun toeschietelijkheid om haar boven water te houden.
Als ze twee maanden later worden teruggevonden slapen de broers naakt tegen elkaar aan. Haar afgekloven gebeente vormt een luguber schrijn in hun iglo.

Ze houdt de wapperende vlag hoog boven zich uit. Haar borsten zijn ontbloot geraakt. Hij kijkt zijn broer, zijn gelijke aan. De cavalerie chargeert.

maandag 24 januari 2011

Verdienstertje

Iedereen met een vriendelijk gezicht lijkt wat te verbergen. De liefde voor wat je verbergt, de bitterheid vanbinnen, groeit als een nieuwgeborene. De bloemen die je in de achtertuin hebt geplant, zijn allemaal gestorven en weggerot. Dit is het huis waar de heimwee woont. Ik draag je in me als een gewonde vogel.

Het zou niet mogen zijn. Omdat dit onverdiend is moeten we concluderen dat er geen verdienste is, geen oordeel en geen onrecht. Buig nederig het hoofd. Gisteren geeft geen garanties, vandaag verwerpt vertrouwen, morgen massacreert.

Vind je pad, neem me met je mee, ik zorg ervoor dat niemand je kwetst. We zullen afhankelijk zijn van onze liefde. Dan zwemmen we in de rook van de bruggen die we verbrand hebben, om te ontdekken waar die genade juist om draait. De nacht heeft zijn einde bereikt, we kunnen niet doen alsof, we moeten rennen. Waarom is dit weer een crisis in jouw ogen? Het spijt me dat je wereld in elkaar tuimelt.

Waarom niet

De stad breekt op uit haar lange stilte. Torenhoge kantoren buigen zich vervaarlijk over straten die zich losrukken van de grond. Staal en beton zijn plots even weinig betrouwbaar als kaarsenvet en margarine. Zonder aanwijsbare reden spatten ramen aan scherven. Overal regent het kleine glassplinters. Auto’s vouwen zich helemaal in zichzelf op, als haar dat bij een vlam wordt gebracht. De inzittenden hebben nauwelijks de tijd om verbaasd te zijn, laat staan te schreeuwen. Op de gekste plaatsen ontstaan geisers.
Daarom waren de dieren vanmorgen plotseling allemaal verdwenen: tot de lompste duif toe, ze hadden het stuk voor stuk voorvoeld. De hoogtechnologische mens stond integendeel weer eens machteloos in zijn mangelwesenheid. En dit was nog maar de eerste trilling, een voorbode van de schok.
Overal liggen doden en gewonden. De glasregen heeft afgelaten, maar niet zonder vele slachtoffers te maken. Uit de nog wat naslingerende gebouwen zijn ook verschillende onfortuinlijken gedefenestreerd geraakt. Enkele dappere hulpvaardigen zetten zich al over hun eerste schrik en proberen pijn te verlichten waar ze kunnen. Opnieuw is er geen geluid dat de ramp aankondigt, er gaat geen lichtend vuur voor de destructie uit. Ze is daar gewoon plots. De buikdansende gebouwen van zo-even geven zich nu over aan onvoorspelbare bokkensprongen. Straatstenen springen opnieuw op en beginnen ondertussen te smelten, hier en daar vatten er zelfs vlam. Kelders scheuren zich los uit de fundamenten waar ze in zijn gebouwd en boren zich in torens die schuddebuikend niet meer weten waar ze het hebben. Heel de stad begint zich op zichzelf terug te vouwen. Hier en daar kletsen de bovenkanten van hoge torens al tegen elkaar aan. Steengruis en metaalbrokken worden zonder aanzien des persoons over wanhopig wegduikende mensen uitgegoten. Gasleidingen knappen massaal; losschietende elektriciteitsdraden zorgen voor de vonk: plots staat de lucht in lichterlaaie. De aanhoudende ontploffing overstemt alle andere geluiden van collaps. Brandende resten worden tientallen kilometers door de omgeving geslingerd. De brandende krater die ontstaat vormt nog vele dagen nadien een spectaculaire vuurzee. Er zijn geen journalisten om haar te fotograferen.
De berg die aap werd genoemd had gesproken.

zondag 16 januari 2011

Si on me cherche, on me trouve

Ergens op een autostrade, omgeven door niets dan wijdse vlakte waarboven de lucht last heeft van hete Parkinson, wordt een wreed spel met me gespeeld. Geen strand en geen topmodel te zien, maar ik heb dan ook geen falset. Ondanks dat gebrek onderwerp je me lustig verder aan onterende experimenten. De koorts van mijn lied, de landwijn van mijn stem, ze laten je onverschillig, geen millimeter deins je terug. Dan moet uiteindelijk het onvermijdelijke gebeuren: de weg houdt op te bestaan. Ik zit naakt aan het stuur en je sart me, je doorboort me met priemen, je nagelt mijn oor aan de deur. Het verscheiden van de weg werpt me de uitdaging van een onbegrensde route om te verkennen voor de voeten. Dan weigert het stuur dienst, wat niet vreemd is, want het is helemaal geen stuur, maar het deksel van een doos en in de doos ligt het wanhopige lijk van Pandora. Een ontzette schreeuw ontsnapt aan mijn lippen, ik tuimel van de vervloekte doodskist op het ijskoude woestijnzand. Moeizaam en verbijsterd klauter ik overeind. De brandende kou van de grond stijgt op in mijn voeten, doet ze dood voelen. De lucht blijft echter onveranderd bloedheet. Zelfs de opgestoken wind verhelpt dat niet, die lijkt integendeel bijna zelf vlam te zijn. Je bent verdwenen, de omgeving is leeg, ook van de weg is geen spoor meer te bekennen. Zonder enig houvast, zonder aanwijzing voor de juiste richting strompel ik maar naar waar mijn voeten toevallig de kracht bevatten om te gaan.

Drie vrienden komen me vergezellen. Hun conclusie is unisono, unaniem: het is mijn eigen schuld. Koppig zweer ik hun gelijk af. Ze schudden hun hoofden, reiken me een potscherf aan om de zweer te krabben. Mijn bevlogen tong is het enige lichaamsdeel dat nog telt, ik bewijs mezelf in veelheid van woorden en argumenten en pas na pas komen zij naakter te staan. Het spelletje strippoker levert mij echter geen millimeter textiel op om mijn eigen schaamte te bedekken, ik heb slechts hen voor het leven gebrandmerkt.
Nog meer mensen voegen zich toe aan onze kleine karavaan. Muzikanten die voor ons uit gaan, op hun lieren en bazuinen de jammerklacht van de verlatenheid spelen. Het kost hen een eeuwige vier minuten en drieëndertig seconden.

Twee groene vrouwen houden de uiteinden van een rood lint vast (of rode vrouwen met een groen lint, ik kan het echt niet zeggen in de fatamorganische trillingen). Als sfinksen aan de poort versperren ze ons de weg. Met asgrauwe stem sommeer ik hen te wijken, maar ze staren onverstoorbaar door me heen. Ze wijzen naar de doorgang onder het lint. Een smalle doorgang: je zou bijna op je buik moeten, maar de eigenlijke bedoeling is duidelijk. Ze willen me in limbo, of anders niet. Ik keer me van hen af, maar daar staan ze telkens weer. Iedereen kijkt me verwachtingsvol aan. Ik schud mijn hoofd, daaronder lukt me niet, ik zal vallen. Ik wil niet op mijn rug op deze grond terechtkomen en al helemaal niet op mijn knieën. Maar er is geen ontkomen aan. Niemand supportert, de hele bende staart alleen. Kreunend schuifel ik naar het lint, vouw me achterwaarts dubbel. Mijn kuiten en mijn hoofd schrapen bijna door het zand. Ik voel de laatste fracties kracht uit me wegvloeien, mijn spieren verzuren in een gezamenlijke klap. Voorbij meer pijn dan ik dacht te kunnen hebben, ligt het lint plots achter me. Langzaam, alsof ik hele tijden van brons geweest ben en mijn schulp nu afwerp, kom ik recht uit mijn bizarre houding. Ik kijk achter me en constateer een nieuwe eenzaamheid. Terwijl ik mijn voorhoofd afwis – zweet dat er niet is – zie ik iets onverwachts voor me uit: het brakke land wordt doorsneden door een beek. De nog gegroeide karavaan is me al voorgegaan naar de andere oever. Een man slechts wacht me op aan deze zijde. Hij stelt zich voor als Rune Reltydd. We worstelen, want dat hoort dan toch zo. Natuurlijk speel ik vals, ik krab en bijt waar ik kan.
Dan constateer ik dat ik mijn tanden heb begraven in mijn eigen pols en de nagels van die hand mijn eigen wang zijn aan het openhalen. Ik laat mezelf gaan en lach maniakaal. Vervolgens vervloek ik je, want jij bent het met wie ik wat te verhapstukken heb. Met wankele tred begeef ik me naar het water. Ik zet me op een knie en breng het water met mijn handen naar mijn mond. Ik ben te bang om gulzig te slobberen, maar het blijkt heerlijk te smaken. Verfrist ga ik weer staan en kijk om me heen. De nacht valt stiekem. Ik knik.

zaterdag 15 januari 2011

Causaal

Je laait, je blust niet. Ze zeggen dat ik met jou beter kan praten. Dat vind ik maar een gedeeltelijk juiste observatie. Misschien voel ik me meer op mijn gemak met jou erbij; als ik me op mijn gemak voel, ga ik meer praten. Causaliteit.
Ik zie niet in waarom ik aan jou een lofzang zou wijden. Je aanwezigheid is me geen noodzaak, ik ga je niet missen in weken zonder jou. Nooit zal je me kunnen treffen als mijn eerste liefde. Ik was wekenlang ziek toen ik haar verliet. Waarom deed ik dat dan? Haar macht over mij beangstigde me, ik kon niet zonder haar. Dat wilde ik niet, ik wil zelf kunnen gaan als ik gaan wil. Ja, zelfs als je haar betovering zou kunnen nabootsen, zou ik je niet zo willen. Ze is je voorgegaan in de beheersing en heeft jou de kans erop ontnomen.
Temidden jullie staan de Verenigde Staten van Amerika. Waarom uitgerekend die? Ik verzin de conventies niet, ik overtreed ze slechts. Nochtans zouden jullie perfect in elkaar kunnen schuiven en calorieën worden.

zaterdag 8 januari 2011

Apocalapsus

Ze legt haar hand op de bolling van haar buik. Een scherpe voorjaarswind giert over het statige balkon, alsof ze haar wil optillen en naar beneden werpen. De hongerige kasseien watertanden tien meter onder haar in de zilte nevel. Als de wind uit het noordwesten komt, kan je er altijd de zee in ruiken, de zee waarover haar liefste heen is gemarcheerd. Dezelfde zee waarlangs nu vier schepen op weg zijn, schepen met wasreclamewitte zeilen. Ze brengen de paladijnen, die genadeloos de fiere havenstad zullen vernietigen. De kasseien behoeven haar offer niet om vandaag nog hun bloedhonger te stillen.

Nu draagt de ochtend nog slechts de stemmen van de eerste marktkramers die vroege klanten trachten te bewegen tot aankoop van hun waar.

Ongelukkig genoeg ligt haar ene kamermeisje te bed met een longontsteking en is de ander net bij een van de stalknechten. Ze hijgt, ze puft en schreeuwt. Door het gegil en gekreun in de stervende straten hoort niemand haar, niemand ziet haar gekromd op het plaveisel van haar paleiselijk balkon liggen. Geheel wars van haar pijn gaat de stad zelf ten onder in een gewelddadige orgie van door gerechtigheid zingende zwaarden toegebrachte weeën. Instinctmatig scheurt ze zichzelf de kleding van het lijf. Asse die uit de brandende stad wordt omhoog geblazen bedekt haar zwetende vel. De pijn wordt er alleen maar erger op.

Het ene kamermeisje heeft geen longontsteking meer en bij het andere was een scherpe punt haar hoogtepunt wat voor. Ook in het paleis raken de muren besmeurd met angstig bloed en stervenskreten. Slechts drie paladijnen waren er nodig om op nog geen uur tijd bijna alle tachtig bewoners van het gebouw naar de andere wereld te helpen. Ze zijn een geoliede machine, bijna alsof één persoon gewoon zes armen en benen had. Ze trappen een zoveelste deur in. De kamer is leeg, de gordijnen wapperen in de tocht. Omzichtig, maar zonder hun strakke tempo te verliezen banen de drie zich een weg door de ruimte, toestekend waar zich eventueel iemand zou kunnen verstoppen. Als ze bij de deur naar het balkon komen, worden ze begroet door geschrei. Voor het eerst stokt de machine. Vol verwondering staren ze naar de naakte jonge vrouw en haar pasgeboren kind. De navelstreng hangt nog vast. Een na een ontbloten de ridders hun hoofden en knielen voor dit kind.

Ze begrijpt hun gepraat over de vierde ruiter niet. Haar dochter is een bastaardkind. De paladijnen beweren al het slechte te willen wegzuiveren. Waarom laten ze hen beiden in leven? Met welke angst heeft haar machteloze dochter hen geslagen?

Een nieuwe vreemdeling dient zich aan in het dode paleis. Hij is geheel in het zwart gehuld, zijn gezicht verborgen in een kap. Al kan ze niets van zijn gelaatstrekken onderscheiden, toch herkent ze hem meteen als haar liefste.
“Ik dacht dat je dood was.”
“ACH. HOE ZAL IK HET ZEGGEN. NIET ZOALS JIJ DAT ZIET IN IEDER GEVAL.”
“Je hebt een dochter.”
Een dochter. Het summum van leven. Glimmend van trots kust hij zijn uitverkorene voor het eerst. Hij neemt haar mee en laat hun dochter over aan de goede zorgen van haar drie mederuiters. Zij zal achter hen aanrijden, hen vervullen en een na een ten val brengen. Het loon dat hun heiligheid hen gebracht heeft.

Scylla & Charibdis

Ik heb ze gezocht, de straat met jouw gelaat. Al wat ik vond waren sporen van vier ruiters die met mijn liefste aan de haal waren en een lindeboom. Die laatste hadden de ruiters laten staan, dat was geen haalbare kaart. In frustratie heb ik de aarde in twee gescheurd met mijn geest. In de ontstane holle kies heb ik vloedgolven gebroken en gespalkt.
Ik heb geprobeerd je te zingen, te schrijven, te tekenen en uiteindelijk subliem te vermoorden. Telkens ben ik schromelijk tekort geschoten. Balkonscènes heb ik voor je ingestudeerd en soms ook achter je. Dan stond je namelijk met je rug naar mij, dat is nogal wel eens voorgekomen. Nakomertjes laten gewoonlijk na een ander voor te laten. Laat dan tenminste dat mijn nalatenschap zijn.
Zie je hoe zeer, hoe pijnlijk onmogelijk je mij bent, Janus?
Deze nacht is niemand zo gek als wij, ons twee. We dansen de wind de bomen in. Roedels wolven denderen achter onze tragische trojka aan. Nog dans ik onbezorgd in het wiel, temidden jullie tweeën, maar ooit zal een dubbele klappolka ook mij tot een graaiende keuze in de grabbelton dwingen. Geef me een tovercirkel en laat me met een vriendelijk knikje de keuze uitstellen tot later datum. Belieg me, vertel me niet wat ik al lang als evident weet. De tango vermoeit me zo. Een straat heeft toch ook twee zijden en een wegdek? Laat me dan ook in mijn schaduwzijde goudzoeker wezen.
Voor ik je ontmoette was ik een kind. Nu ben ik er twee. Onwetend cirkel ik om mezelf, herken mijn eigen zandkastelen niet als artistieke architectuur, maar slechts als grondstof voor alweer nieuwe torens en muren. Het zand is droog, maar jij hebt vier ogen om tranen te plengen. Help me kneden, zodat ik leven kan blazen in wat ik schep.
En als vanavond de zon ondergaat in de vloed, de wind warm door jouw kleedje dartelt, dan zal ik glimlachen en zullen mijn tranen naar tijm proeven en naar jasmijn ruiken. Vrolijke schaduwen zullen water naar elkaar trappen, terwijl ik staar en even alleen maar wil blijven zitten tussen het ruime sop en het vasteland.

Log/Os

Het woord is vlees geworden en toen nog wat anders. Woorden weigeren stuurs hun betekenis te houden. Conventies, concilies, consulaten en concubines, al dat wil woorden vastomlijnder tekenen. Ze verdienen niets dan onze gulle spotlach. Het spreekwoordelijke vlees, dat ooit nog eens woord is geweest, maar toen nog slechts zwak, bakt het bruin in olijfolie. Omgord je lendenen en sta pal. Wij gaan woorden smeden als edelmetaal. We zullen ze louteren en dan doen of ze echter zijn. Vervolgens zullen we ze tot juwelen maken en zal hun ijdelheid des te meer blijken. Toch zullen we weten dat slechts de schijn waarborgt wat we altijd al geweten hebben. We zullen blijkbaren en misschienen, hypothetiseren en veronderstellen en we zullen constateren, kennelijk, dat we nooit anders gekund hebben, naar we geloven. Het zal waar zijn, tussen ons. Het zal woord zijn en niets is waarder dan het woord. Vlees kunnen we tasten, het kan ons toeschijnen, het kan onze impulsen wekken. Wie zijn wij? Woorden, slechts woorden en nog wat woorden. Soms maar één woord, waar we helemaal spits in worden. Alles zal steeds hetzelfde zijn, zolang het maar van betekenis verandert. Het zal altijd nieuwe waarheid blijken te zijn, want stuurs sturen woorden ons in constant concentrische cirkeltjes tot de kern van wat ze zijn, om dat al weer te zijn vergeten.